 |
Januari 2012 |
 |
|
|
|
| Ma |
Di |
Wo |
Do |
Vr |
Za |
Zo |
|
|
|
|
|
|
|
1
|
|
2
|
3
|
4
|
5
|
6
|
7
|
8
|
|
9
|
10
|
11
|
12
|
13
|
14
|
15
|
|
16
|
17
|
18
|
19
|
20
|
21
|
22
|
|
23
|
24
|
25
|
26
|
27
|
28
|
29
|
|
30
|
31
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Allemaal Woorden
Nieuws: Het Dal van de wonderen verschijnt volgend jaar als feuilleton in de Ommelander Courant. Kopen die krant!
Oud nieuws: De Nederlandse versie van Ien mei de dingen is te bestellen bij www.mijnbestseller.nl De titel: Eén met de dingen.
Meer oud nieuws: Het dal van de Wonderen is ook te bestellen bij www.mijnbestseller.nl
Een samenvatting: 'In een typisch Frans dorpje, in de bergen aan de Côte d’Azur, baat Maria al jaren lang een restaurant uit. Zij bereidt streekgerechten volgens de klassieke regionale keuken: ‘La cuisine Niçoise’. Ze heeft uitsluitend lokale leveranciers en ze bereidt wat zij aanleveren. De droogte is echter sterk toegenomen en er wordt veel grond'water aan het gebied onttrokken. De boeren trekken er weg, of zijn al weggetrokken. Bij de laatste verkiezingen is een nieuwe burgemeester gekozen die het waterleidingsbedrijf steunt. Maria’s restaurant is een haard van verzet tegen de waterwinning. De eigenaar van haar restaurant en de caféhouder Mathieu Panini heeft een dagvaarding ontvangen. Hij moet voorkomen bij de rechtbank in Nice. Maria’s restaurant is illegaal, er zijn regels overtreden, er zijn geen controles uitgevoerd. Het moet gesloten worden. Panini weet dat hun kansen klein zijn. De rechtbank in Nice is berucht. Hij zoekt steun van een beroemde advocaat uit Grasse, Louis Orange. Orange is een zoon van een verzetsheld. Hij stelt al snel vast dat het een hopeloze zaak is, maar ook dat er iets niet klopt: een al jarenlang ‘illegaal’ restaurant? Zijn nieuwsgierigheid is gewekt. Hij besluit de verdediging op zich te nemen en gaat op onderzoek uit. Het manuscript van gedagvaarde Panini, is daarbij zijn leidraad. Louis Orange weet echter niet waar hij aan begint...

Persbericht: 'Slappe bodem'verscheen op de Manuscripta
Op 4 september 2011 tijdens de Manuscripta heeft Bert Bakker zijn tweede roman ‘Slappe Bodem’ in een proefdruk en op een USB-stick aan directeur Peter Paul van Bekkum van Mijnbestseller.nl overhandigd. Ook gaf hij de ‘publiceer’ opdracht op de computer van Mijnbestseller.
Bakker: ’Ik vind het inspirerend wat mijnbestseller doet. Een welkom initiatief, dat meer verantwoordelijkheid bij jou als schrijver legt. Je kunt bij mijnbestseller.nl in een handomdraai een boek uitgeven, maar dat is niet genoeg, je moet je eigen stijl ontwikkelen en redactionele ondersteuning regelen.’
‘Mijnbestseller is ook een belangrijk initiatief in de markt van boeken. De lezer kan direct naar de website gaan en jouw boek bestellen. De verhoudingen tussen schrijvers en uitgevers, veranderen. Beiden kunnen meer verdienen en de lezer krijgt goedkoper boeken in huis. Ook de verhouding tussen uitgevers en boekhandels wordt anders.’
Bakker komt uit een familie met drukkers en uitgevers: ‘Oom Paul drukte Trouw in de oorlog en neef Bert begon zijn eigen uitgeverij. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.’
Slappe bodem
Dat de Amsterdamse wethouder Maarten Hecht nooit een rustig leven zou kunnen leiden, wist hij al in zijn jeugd en in zijn werk was het een gegeven. In de vroege ochtend zien we Hecht door het centrum van Amsterdam naar het Gemeentehuis fietsen. Hij bereidt zijn vergaderingen voor. Een ordelijke man die niets aan het toeval overlaat en die de regie strak in eigen hand houdt. Toch voltrekken er zich allerlei gebeurtenissen waarop hij geen greep heeft. Nog diezelfde avond komt hij in een volksoproer terecht en raakt hij gewond. Die gebeurtenis heeft veel consequenties: voor Hecht persoonlijk en voor zijn positie als wethouder. Waarom zijn leven zich zo snel van incident naar incident ontwikkelt, dat begreep hij niet. Een leven, gewijd aan de publieke zaak, wordt ruw verstoord.
Toen Bert Bakker vernam hoe de wethouder Monne de Miranda (Amsterdam, 21 maart 1875 - Amersfoort, 3 november 1942) aan zijn einde kwam, vals beschuldigd, vermoord in het concentratiekamp en toen hij vernam hoe lang het duurde voordat de ware toedracht werd onthuld, was hij geschokt. Hij vroeg zich af of dat weer zou kunnen gebeuren. Hij schreef ‘Slappe Bodem’ niet om de gebeurtenissen te reconstrueren, maar om zijn eigen reactie beter te begrijpen. Slappe Bodem is vanaf 4 september 2011 te bestellen bij www.mijnbestseller.nl Paperback, 12,50 euro

Mijn Rink van der Velde Jaar
Van 2 juni tot 12 juni 2010 verbleef ik in het Schrijversarkje van Rink van der Velde. 2010 was het Rink van der Velde jaar. Verschillende lezers dachten dat karakters uit mijn 'Ien mei de dingen' waren weggelopen uit de boeken van van der Velde. Een eer. Ik ben weliswaar geen grote kenner van zijn werk, maar 'De Fuik' is een schitterend boek. Ik vroeg een verblijf in zijn 'skriuwersarke' aan.
Er zijn verschillende organisaties betrokken bij de toekenning van een schrijversverblijf: It Fryske Gea (Ultsje Hosper), Tresoar (Jelle Krol), FLMD (Meindert Bijlsma) en het Tamminga-Piebenga Fonds. Op de foto vertel ik over mijn plannen. Ik hoopte op een verhaal, natuurlijk, daarom ging ik er heen, maar ik kondigde een essay aan. Ik gaf één titel: 'Alle literatuur is streekliteratuur'. Ik hoopte op een verhaal? Zie: 'Het vijfde deel' ('The Daltons are back'). 2010 was mijn Rink van der Velde Jaar.

Wonen in woorden
'Alles is tevergeefs' schreef ik vorig jaar in Italie. Een kort verhaal, een afscheidslied voor een oude vriendin.

Op 1 juni 2009 werd in Harich (Friesland) een vernissage ter gelegenheid van het verschijnen van Íen mei de dingen'gehouden. In aanwezigheid van anderen werd een laatste laag aangebracht. Op http://www.vimeo.com/5028331 met het password Harich is de impressie van Wouter Pasman (TU Delft) te zien. Zie ook: http://www.vimeo.com/523 met password: 83hf22. Jan Chris Janssen speelt "One of a kind". De geluidsopnamen zijn van Eric Jansen (Brothersinmusic). De videoregistratie is van Wouter Pasman.
'Warme Stront' is het eerste verhaal uit 'Ien mei de dingen'. Het verscheen eerder in Hjir (Hjir 3, juni 2007)). De literaire tijdschriften Hjir en Farsk werken samen en zijn opgegaan in het nieuwe literaire tijdschrift Ensafh. Zie de nieuwe site: http://www.ensafh.nl Alle vertalingen werden verzorgd door Baukje Stavinga.
Zondag 6 april 2008 werden in het Bibliotheektheater in Rotterdam de prijzen voor de El Hizjra-literatuurprijs bekend gemaakt. De eerste prijs proza (15 tot 18 jaar) ging naar Monique Samuel met het verhaal "De laatste slangendans" waarin zij werelden van verschil bijeenbrengt: de betovering van de slangenbezweerder en de concentratie van de verhalenverteller. "De laatste slangendans" werd ook de titel van het boek dat bij de uitreiking verscheen (van Gennep, 2008). Ik won met "Het Horloge"de gedeelde tweede prijs, samen met Samoen Os. Zie: http://www.elhizjra.nl

Er is een speciale wijkkrant over het Westerdok verschenen: W-Dok. Over nieuwbouw aan de Amsterdamse haven, een welkom voor nieuwe bewoners. Ik zat in de redactie met Carolien Satink, Lenie van Vliet en Bart Pothoven. De vormgeving werd gedaan door Philip Stroomberg. 'Een koekje van eigen deeg' werd daarin opgenomen. Waar gebeurd verhaal, maar of die Johannes Bick bestaat, is maar de vraag.
"Een Scheepshut' is het eerste verhaal in een drieluik. Het laatste verhaal 'Dikke Doekoes' is verschenen in De Ware Tijd (Paramaribo, 19 oktober 2009) op de literaire pagina (hieronder)
.
Ik maakte met Jan Chris Jansen geluidsopnamen in de studio's van Dedicon op het Molenpad. Daar staat een bijzondere boom. “De oude plataan” staat nu op de bomen site van Louis Stiller. Zie bij 'uw verhalen' op: http://www.amsterdamsebomen.nl
Vooruit dan maar: Twee wielerverhalen en een gedicht. De beklimming van de Mont Ventoux in 1990, een oude tekst. In oktober 2009, intussen zelf wat ouder, ondernam ik weer een beklimming.
‘Over de bergen naar de zee’ is een gedicht over vluchten op de fiets. Het is in het Fries verschenen op de site van Ensafh (edysje 21, 2010)
In de nabije toekomst komen er weer andere teksten op www.bertbakker.biz , die af, of in bewerking zijn en waarop u uw commentaar kunt geven.
Bert Bakker
bertbakker@bertbakker.biz
|
|
|
|
Maandag , 14 November 2011
|
|
|

Bijles in Maastricht
Vijf scènes: Hij droeg zwarte vleugels en deelde kaartjes uit, daarna werd ik de zaal ingetrokken. Duisternis. Zij doemde op uit een dikke mist en stond boven ons in schijnwerpers. Ze knikte ons vriendelijk toe. Het leek wel of ze ons wenkte, ze was een engel met vleugels. Leek het er bij binnenkomst op dat ik afgescheept werd naar de hel, hier lonkte de hemelpoort. Daar eindigde het.
Zij speelde op een piano en wij zaten om haar heen, ze zong. Waren wij ergens in het verkeer op een vluchtstrook beland? Zij troostte ons met een Vlaams lied vol toewijding. Wij huilden. Plots begon de grond onder ons te bewegen, we hoorden het verkeer op de achtergrond razen en het leek alsof we op een stuk wegdek zaten, dat bewoog als kruiend ijs. Zij redde ons met haar lied.
Er hing een bal midden in de zaal en daarop werden bewegende zaadcellen geprojecteerd. Zij stond er naast in een schamel jurkje, met de bal verbonden door een touw. Bol, buik, zaad, plots leek er iets op de te wellen uit haar binnenste en haar gezicht vertoonde steeds meer pijnlijke trekken. Even later perste ze uit haar mond een kindje, dat het toneel oprolde. Bloed.
Een enorm beest op een projectiescherm dat luid piepte. Zij vertelde over haar dode cavia die door een Franse valk werd meegenomen. Iets dat je kwijt bent wil je bij je houden. Het verdriet over het gemis ging over in spijt dat ze hem nu niet meer – als dode – bij haar had. Als een gemummificeerde Egyptenaar zou hij tenminste nog bij haar zijn, nu was hij voor altijd weggevlogen, terwijl het beestje niet eens kon vliegen.
De 9de van Beethoven klonk - ‘Alle Menschen werden Brüder’ - het Europese volkslied. Ja, ja, dat zal wel. Hij lag naakt in de hoek van de zaal en kwam langzaam in beweging. We keken hem op de rug en we zagen dat hij zichzelf ondersmeerde met blauwe verf. Plots stond hij in al zijn naaktheid tegenover ons, besmeurd met blauwe verf. Nog steeds werd de 9de gespeeld, er doorheen klonken mitrailleurs en explodeerden bommen. Atlas moest een zware vracht torsen, in al zijn naaktheid stond het 2000 jaar oude Europa tegenover ons.
Donderdagavond 17 november 2011 was ik bij mijn dochter Luit op bezoek en mocht ik mee naar een les voor eerstejaars op de toneelacademie in Maastricht. ‘Geen probleem, wees welkom.’ In zorgvuldige nabesprekingen werden deze vijf scènes doorgenomen. Ik dacht, je leert niets zonder oefening en niets zonder vallen en opstaan, maar deze eerstejaars waren stuk voor stuk bedreven in acteren, in het opzetten van dramatische scènes. De studenten hadden ook columns geschreven, die al of niet een toevoeging op de scène waren. In de nabespreking met de docenten werden ze voorgelezen. Er zaten mooie tussen. Het ontroerde me, ik vond het prachtig om zo bijles te krijgen.
Die nacht zag ik een soort Klaas Vaak in een veren pak. Hij leek op staatssecretaris Halbe Zijlstra. Hij schreeuwde: ‘Jullie gebruiken hier veel te veel vierkante meters per student, dat kan ik niet tolereren en dat zal jullie duur komen te staan. Ik ga deze academie korten in mijn subsidie.’ Ik greep het veren ventje bij zijn strot en zei: ‘Als we zo gaan beginnen, krijg je met mij te maken. Onderwijs zonder ruimte voor experiment, zonder mogelijkheden tot uiting, is geen onderwijs. Dat weet jij heel goed, calculerende slaapkop.’ Ik stampte het ventje tot een bloedeloze verenprut en sliep daarna weer tevreden verder.
Mijn droom vervolgde zich met het commentaar van de docenten Frank en Woody. Beiden lieten fijntjes weten dat het idee van de scène misschien treffend was, maar dat ‘deze in de uitwerking nog wel aan zeggingskracht kon winnen...’. Mijn column werd over het algemeen wel gewaardeerd.
BB

Vijfenzeventigste Boekenbeurs in Antwerpen (van 31 oktober tot en met 11 november):
Bert Bakker krijgt De Gouden Meeuw 2011 niet
Bij binnenkomst was ik verbaasd. Honderden scholieren al of niet onder begeleiding dromden als spreeuwen samen bij de ingang en verspreidden zich luidruchtig over uitgestrekte hallen en zalen. Overal zag ik ze die dag zitten en rondlopen, discussiërend, meegenomen broodjes consumerend. Je zag ze bij de fictie, bij non-fictie, bij signeersessies, bij prijsuitreikingen, bij de stands voor kinder- en jeugdliteratuur en niet te vergeten bij de stripboeken. Er liepen die dag zo'n 21.000 bezoekers rond. Een boekenfestijn van niet minder dan veertien dagen met 168.000 bezoekers. Hier leeft de taal. Hier is de taal, het schrijven, de schrijver onderdeel van een beweging, van een cultuur waarin vele bloemen mogen bloeien. In Antwerpen werd van 31 oktober tot 11 november de vijfenzeventigste Boekenbeurs gehouden. Anders dan de Nederlandse Manuscripta maakt deze beurs sterk de indruk te leven onder jonge lezers en scholieren. En: daalde in deze periode de boekenverkoop in Nederland met 7%, in Vlaanderen was er een omzetstijging van 4%
Ik was er op 11 november vanwege De Gouden Meeuw, de prijs voor het beste Nederlandstalige fictie boek dat werd uitgegeven in eigen beheer. Ik had mijn Dal van de Wonderen ingestuurd, mijn eerste roman. Ik achtte mij niet geheel kansloos en ik wilde de prijs winnen. Het Dal van de Wonderen gaat over een man die teruggaat naar de bron van zijn jeugd: Louis Orange, strafpleiter in Zuid Frankrijk, ontvangt een manuscript en een dagvaarding. Het script is een soort kookboek met verhalen en dagvaarding betreft de sluiting een klassiek restaurant. ‘Hopeloos,’ ziet hij al snel... Dal van de Wonderen is geen 'ik' verhaal, het is een verhaal waarin een personage ontdekkingen doet. Dat erin tal van persoonlijke ervaringen verwerkt zijn, doet niet terzake. Toen ik de jury hoorde, realiseerde ik dat mijn kansen steeds kleiner werden. In bijna alle genomineerde boeken was de ik van de schrijver nadrukkelijk aanwezig. Geheel logisch. De Gouden Meeuw is ingesteld door Creatief Schrijven, een actieve schrijversclub uit Antwerpen, die cursussen organiseert en iedereen aanmoedigt om te schrijven. Schrijven begint met 'ik' zeggen, naarmate je vordert, raakt je ik meer op de achtergrond en wordt de ik van je personages belangrijker. Mijn ik acht ik niet onbelangrijk, ik ben tenslotte de schrijver, maar in mijn boeken raakt het meer op de achtergrond. Mijn ik wordt een onderdeel van het verhaal. Ik besta pas als het boek af is. De verschijning van het boek is een moment van non-fictie: de schrijver bestaat, het boek ligt op de plank.
Ik had ook Slappe Bodem in willen sturen, maar twee boeken insturen was niet toegestaan. Slappe Bodem gaat over de Amsterdamse wethouder Maarten Hecht en dat die nooit een rustig leven zou kunnen leiden, wist hij al in zijn jeugd. In zijn werk was het een gegeven. In de vroege ochtend zien we Hecht door het centrum van Amsterdam naar het Gemeentehuis fietsen. Hij bereidt zijn vergaderingen voor. Een ordelijke man die niets aan het toeval overlaat en die de regie strak in eigen hand houdt. Toch voltrekken er zich allerlei gebeurtenissen waarop hij geen greep heeft. Nog diezelfde avond komt hij in een volksoproer terecht en raakt hij gewond. Die gebeurtenis heeft veel consequenties: voor Hecht persoonlijk en voor zijn positie als wethouder. Waarom zijn leven zich zo snel van incident naar incident ontwikkelt, dat begrijpt hij niet. Een leven, gewijd aan de publieke zaak, wordt ruw verstoord. Niet mijn leven maar dat van de fictieve Maarten Hecht wordt verstoord.
Dit jaar kozen Friedl' Lesage (radiopresentatrice), Gerda Reynaert (eerste literaire agente in België) en Rudy Vanschoonbeek (uitgever) de winnaar van de derde Gouden Meeuw, die kreeg onder andere als prijs, professionele steun bij de verkoop en promotie-ondersteuning van literaire agente Gerda Reynaert en contact met uitgever Rudy Vanschoonbeek. Winnaar van de 77 inzendingen werd Ruth Aerts met Lucht. De jury zei: 'Heel oorspronkelijk verhaal, eigen geluid, correct taalgebruik, fijne zinsneden, rake formuleringen, boeiend plot en vertelwijze (vaak schrijnend) humoristisch.'
Toen ik dat hoorde dacht ik, verrek, dan had ik toch kunnen winnen. Of had ik De Vlucht, mijn nieuwe roman moeten insturen? Het gaat over een bioloog die onderzoek doet, die tevens zelf het onderwerp van onderzoek is; een verhaal over een betoverde tuin aan de Middellandse zee bij de Italiaansfranse grens, over levende doden in een verlaten hotel; een verhaal over vluchtwegen die afgesloten zijn. Maar De Vlucht heb ik nog niet af. Mijn ik denkt nu: daar moet is snel mee verder, dan kan ik het volgend jaar indienen bij de Gouden Meeuw 2012. Misschien dat ik hem dan wel krijg?
BB
|
|
Reageer hier
|
09:26 uur
|
|
|
|
Dinsdag , 10 Mei 2011
|
|
|
Ook hier gaat de zon onder
1
Billy’s huid was zo donker als een maanloze nacht. Het zwart werd zwarter door het wit van zijn tanden. Onwerkelijk zwart, hij had een huid om aan te raken. Hij keek me vriendelijk aan, stelde zich voor, vroeg naar mijn naam, sprak op zachte toon en stalde onnadrukkelijk een selectie van zijn waren uit: kralenkettingen, parelkettingen, dan olifantjes en Boeddha beeldjes in zilver. De objecten werden van verschillende kanten getoond. Ondertussen stelde hij vragen, babbelde door en deed al zijn waren weer terug in verschillende tassen.
'See you tomorrow.’ Dat had hij goed begrepen, we zouden nog een week in Seminyak, Bali, blijven. Van alle verkopers tot dan toe deed Billy iets dat de anderen nog niet hadden gedaan. Billy had voorraden genoeg, hij had de tijd, hij ging een relatie aan. Op de tweede dag kwam hij weer langs. Zijn huid was donkerder en zijn tanden waren witter. De spullen werden weer uitgestald. De parelkettingen waren best mooi.
'Noworry.’ Alles ging weer in zijn tassen. We waren een paar dagen op pad en daar was Billy weer. 'Ik moet ook even weg. Er wordt een ceremonie van mijn kleinzoon voor mijn kleinzoon gehouden. Zijn selectie lag klaar. Nu moest het gebeuren. Mijn vrouw vond de parelkettingen het mooist. Billy bood er twee aan voor de prijs van één. Twee kettingen? Een is genoeg. Er werd onderhandeld, maar niet over de prijs. Billy was immers onze donkere vriend op een zonnige vakantiebestemming, die ons de tijd gaf om te kijken en te beslissen? Uiteindelijk kocht mijn vrouw een parelkettinkje voor de halve prijs van twee. 'You are a good seller,’ zei ik. Het wit van zijn ogen lichtte op. In zijn lach zag ik de weidsheid van de Indische Archipel, frank en vrij.
2
Het was onze tweede dag na aankomst. Grace stond op ons te wachten. Zijn brommer stond voor de ingang. 'Boss you’re very lucky to day. You won two T-shirts.’ Hij gaf me een kraslot als bewijs. Een hotelketen had even verderop een nieuw hotel geopend. Aanbieding. Hij begon te krassen op een tweede lot. 'Madam, you’re even more luckier. You won big price. I won big price too: 50 dollar. Come, lets go the new hotel. Our prices are waiting.’ Hij had een vrolijke krullenbol, een huid als een ongepoetste bruine schoen. Versleten kleren om een tenger lijf. Grace kwam van Flores. Een premiejager op jacht naar dollars. Achttien, negentien jaar? We deden het voor hem vanwege zijn mooie naam en zijn originele aanpak. We gingen aan de slag voor Grace en zijn 50 dollar. Die T-shirts waren voor ons. De rest was flauwekul, maffia, verlakkerij. Het regende. Hij hield een taxi aan en daar gingen we gratis naar het nieuwe hotel. Gekidnapt. Er zaten daar westerse marketeers te wachten voor een organisatie die zich presenteerde als The Legend Club. Eerst nog glimlachen en vriendelijk knikken. 'Give Grace his 50 dollars,’ zei mijn vrouw uitdagend. Zover was het nog niet. Eerst moesten we vernemen hoe rijk en machtig hun hotel was. Wat behoorde er niet toe? Een indrukwekkende lijst met hotels, restaurants en minibars werd getoond. Wat behoorde hun niet toe? Alles, ons geld en ook onze toekomstige reisbudgetten, zoals bleek uit de rekenmodellen die ergens op een Business school in Harvard waren bedacht. We konden tien of vijfentwintig jaar lid worden van de club. Afhankelijk van de punten die je jaarlijks wilde sparen, verdiende je hotelweken. Voordat je kon sparen, moest je echter eerst geld inleggen. En daar begon de valse vernuftigheid van de marketingstrategie: op die inleg kon je korting krijgen. 30% op de eerste inleg. Pas als die volledig betaald was, kon je gaan sparen. Verspreid over vele jaren: maar eerst betalen, cash of creditcard. Er liep veel vriendelijk personeel rond. De deuren waren dicht. 'Hypnotic approach, gimmie that’, zei mijn vrouw. Zij konden er niet om lachen, zij kregen pas hun premie als wij tekenden. We zagen mensen hun handtekening zetten. 'I would like to have the T-shirts and give Grace his 50 dollars’, zei ik na twee uur direct marketing. Buiten regende het niet meer en de krekels tjerpten met het volume op vol.
3
Billy was een goede verkoper, maar Grace was de beste. ‘s Avonds sprak iemand me aan in het donker. Het regende weer. Ik zag in zijn linker hand gekopieerde cd’s, dvd’s. Ik schudde van nee. Toen liet hij zien wat hij in zijn rechter hand had: viagrapillen. 'Boss, just fot fun!’ Ik probeerde nog te glimlachen, maar het lukte niet meer. Ik zei tegen mijn vrouw: 'Kom we gaan naar bed. Morgen is er weer een dag.’
4
Er hingen vijf Suzuki buitenboordmotoren van elk 250 PK achter de fastboat. Deze trok een scheiding in het water zodat de bodem zichtbaar werd en hij liet hekgolven in de omvang van twee tsunami’s achter zich. Het was op een zondagochtend. We werden afgezet in Bangsal, Lombok. Vervolgens werden we met paard en wagen 1000 meter verderop afgezet bij een taxistandplaats. We hadden er ook naar kunnen toelopen. Andere mogelijkheden waren er niet voor deze afstand: lokale folklore. Het meest opvallende van de gereedstaande auto, was zijn geluid. Hanepi en zijn broer Sping stonden er naast, op ons te wachten. We gingen met hen mee. Hanepi was onze hotelmanager op een eiland voor de kust. Hij had een dagje vrij. Het geronk kwam uit een oude Honda Civic, een collectors item. Van binnen wit bekleed met skaileer, van buiten gehavend en gepleisterd, knalrood. Om hem opgang te houden mocht er niet teveel gas worden teruggenomen. Onderin zat veel paardenkracht en een zware bas. Sping had een wollen rasta muts op en hij droeg een zonnebril. Donkere kleding. Hij reed. Hanepi had een grijs T-shirt aan, een zwarte broek en hij had een hoedje op, zoals de Bluesbrakers die droegen, maar dan van riet. De twee mannen van Lombok voorin, wij achterin. Mijn vrouw droeg een donkere rok, witte blouse, rode zonnebril en een wijde hoed. Haar haar was wit geworden van de zon. Ik was gekleed in mijn tropenkostuum, kakibroek, licht groene blouse met korte mouwen, mijn Ray-ban Prins Bernhard zonnebril en tropenhelm. Een plantersechtpaar op inspectie? Nee, maar wel zware bewaking en een snelle auto. Alle ramen open, geen airco...
De weg omhoog, de bergen in, was te slecht om gas te geven. Elke keer als het wel kon, leek de Civic krom te trekken door de paardenkracht. Alsof het chassis meeboog in de slip. Sping hield hem onverschrokken op de weg en trok hem elke weer recht. We reden door Monkey Forest. Een aap verzorgde opschudding omdat hij een fototoestel van een toerist had afgepakt. Ik zei tegen de mannen: ‘Wie ooit het onzalige idee heeft gelanceerd dat wij van de apen afstammen, zou moeten worden opgepakt. Het is eerder andersom. Die apen stammen van ons af.’ Instemmend gegrinnik en gegrom van de bewaking.
Het dorp lag ergens in het midden van Lombok, op Mohammedanen eiland, vlakbij bij Praya. Er lagen daar veel dorpen in vochtige velden. Dorpen met allerlei handwerkslieden, weverijen van ikat; met bedrijfjes voor bereiding van tempé, tofu, bedrijfjes voor houtbewerking. Traditionele Sasakdorpen. Puur en armoedig. Het dorp lag er verregend bij, het was niet of nauwelijks bestraat. Overal waterpoelen. Het zwart overheerste er door het vulkanische zand, door de donkerte van nieuwe regen. Stenen en klinkers vormden de eilandjes in de dorpse archipel waarover wij ons voortbewogen. De drukte in het dorp kwam niet alleen van mensen, maar ook van kippen, van eenden, van poezen, van enkele honden, van geiten en koeien. Vergeet niet de drukte van vliegen, zwaluwen, gekko’s en tjitjakkeen. Buiten het dorp, honderden brommers, auto’s en nog meer brommers en scooters. Hier in het dorp stonden ze geparkeerd op de enkele plekken, waar het droog bleef. De voorbereidingen voor de feestelijkheden waren in volle gang. Hanepi was nog ongetrouwd en hielp mee met de voorbereidingen van de maaltijd. Trouwens alle ongetrouwde mannen hielpen bij deze huwelijks ceremonie. Hanepi’s vader was dorpsoudste en vervulde een belangrijke rol in het dorp. Hij liet zich even zien om ons te groeten. Sping was al getrouwd. Dus was hij vrijgesteld en hielp hij ons in traditionele kledij: elk een sarong en ik kreeg een kunstig gevouwen doek op mijn hoofd. Zo’n doek die de Balinese topkok Lonny altijd draagt. We gingen naar het dorpspleintje. In het midden was een verhoging en waren er doeken voor de regen gespannen. Het orkest zat er al. Wij kregen als eregasten een plaats vooraan op het podium. Wij kregen koffie, zoetigheden. De ongetrouwde mannen waren bijna klaar met de voorbereiding van de middagmaaltijd. Honderden mensen waren hier verzameld. Het orkest begon. Traditionele muziek. Een als vrouw verklede man of een als man verklede vrouw – ik kwam er niet zo goed uit – danste, zong en vertelde het verhaal van het ‘te vondeling gelegde kind’. Tussen zijn zang en de regels door, viel het orkest in met trommels, cimbalen, fluiten en een luit. Er heerste vrolijkheid en plezier. Bij navraag was de gezongen vertelling niet eenduidig. Het kon gaan om: niet te vroeg trouwen, want daar komen ongewenste kinderen van; als de moeder niet zelf een kind kan voeden en het te vondeling legt, dan kan het zijn dat het kind ‘bijgevoed’ wordt met koemelk en daar krijgt het ‘dierlijke trekken’ van; als je zegt dat je naar school gaat, doe dat dan ook en ga niet spijbelen, want daar kunnen ongewenste kinderen van komen. De laatste moderne uitleg beviel mij het beste. De volgende ochtend bezochten we de moslimschool in het dorp. Ik kon niet zo snel een idee krijgen wat er precies onderwezen werd, maar als ze daar zouden beweren dat je van ‘koemelk dierlijke neigingen’ krijgt, zou ik ervoor kiezen om nog wat langer door te leren. Na de gezamenlijke maaltijd in het dorp, even pauze met een biertje, rijstwijn en lekkernijen.
’s Middags werd er weer een doek om mijn hoofd gevouwen. Een zwarte ditmaal. Ik kreeg ik een andere sarong om en een zwart jasje aan. Een soort kort jacket met een rij doublé knopen. Een half uniform uit de tijd van de Adjeh oorlog? Sommige van de inlanders hadden toch aan Nederlandse kant gevochten? In ieder geval: sobere kledij voor een feestelijke optocht met de bruid en bruidegom. Gedurende twee uur verplaatste het gezelschap van honderden ongetrouwde lieden, familieleden en dorpsgenoten, zich van de moskee naar het nieuwe huis van de bruid. Ergens ver weg in de dessa. Twee orkesten verzorgden de begeleiding. Het verkeer in alle richtingen liep kompleet vast. De tot vrouw verklede man of de tot man verklede vrouw hield een doorlopende voorstelling tijdens de optocht. De orkesten vielen nu beide in of speelden tegen elkaar op. De jongen mannen gingen blootsvoets. Ik liep mee op oude slippers van Hanepi. Ik had nog nooit op slippers gelopen, maar ik was blij dat ik mijn goede schoeisel had thuis gelaten. Het regende constant. De bruid zag er zo stralend uit alsof ze al in een nirwana was aangekomen. Die indruk maakte de bruidegom ook.
Voordat we hier heengingen, hadden we gevraagd wat een passend cadeau voor het bruidspaar was. ‘Als het een vriend van je is, geef hem dan een condoom,’ zei iemand. ‘De jonge echtparen krijgen veel te vroeg kinderen en pas dan realiseren ze zich de consequenties van hun huwelijk.’ Dat leek ons een wat te familiair cadeau, maar toch. Ik moest denken aan de gezongen vertelling van die ochtend, aan zijn ouders, die het graag hadden gewild, maar niet konden lezen of schrijven. Ik dacht aan Hanepi, die het ver had geschopt met zijn studie en goed Engels sprak. Ik gunde hem graag een bruid, zo’n optocht door zijn dorp en die nacht die er op zou volgen. Hij had er de leeftijd voor, hij verdiende het met alle consequenties van dien. Bali/Lomlok, 8 maart – 7 mei 2011
De Engelse vertaling van het vierde deel:
The Sun Also Sets Here (4)
Five Suzuki 250 HP outboard engines graced the back of the fast boat. The boat drew a part in the water so deep the bottom was visible, and left a wake the size of two tsunamis behind the boat. It was a Sunday morning. We had been dropped off in Bangsal, Lombok, where we were then taken by horse and carriage another 1000 meters, and deposited at a taxi stand. We could have gone there on foot. There weren’t any other options for this distance: local folklore. The most noticeable thing about the car that was waiting for us was the noise it made. Hanepi and his brother Sping were waiting next to it, and once we arrived, we all got in and drove off. Hanepi was our hotel manager on an island off the coast of the mainland, and he had the day off. The roar was coming from an old Honda Civic, a collector’s item. The interior was upholstered in white imitation leather; the battered and patched exterior was fire-engine red. To keep it running, it had to be driven at a certain speed; not too slow. There was a lot of horsepower under the hood, and a deep sound came from it. Wearing dark clothes, a woolen Rasta cap and sunglasses, Sping was driving. Hanepi was wearing a grey T-shirt, black pants and a hat, just like the ones the Bluesbrakers wore, but made of straw. The two men from Lombok were sitting up front, we were in the back. My wife was wearing a dark skirt, white blouse, red sunglasses and a wide-brimmed hat. Her hair had been bleached white by the sun. I was dressed in my usual tropical attire: khaki pants, light green short-sleeved shirt, my classic Ray-Ban aviator sunglasses and pith helmet. Husband-and-wife plantation owners out for an inspection? No, but in any case, a heavily guarded one with a fast car. All of the windows down, no a/c… The poor condition of the road leading uphill and into the mountains made acceleration nearly impossible. Each time we were able to accelerate, the Civic seemed to warp from the horsepower, as if the chassis was bending with each skid. Fearless, Sping kept it on the road, straightening out again each time after a skid. We were driving through Monkey Forest. A monkey caused a ruckus here, because he stole a camera from a tourist. I said to the men: “Whoever came up with the ridiculous idea that we are descended from the monkeys should be arrested. It’s more the other way around; the monkeys are descended from us.” This met with chuckles and grumbles of agreement from security.
The village was somewhere in the middle of Lombok, Mohammedan island, near Praya. There were many villages here, located in damp fields. Villages populated by a variety of craftsmen, ikat weaving mills, and small enterprises specialized in preparing tempeh and tofu, and small woodworking businesses. Traditional Sasak villages, pure and poverty-stricken. The village was rain-drenched; it was only paved in spots, if at all. Pools of water were everywhere. Black was the dominant colour thanks to the volcanic sand, darkened by the new rainfall. We maneuvered over rocks and bricks, which had formed small islands in the village archipelago. The activity in the village was not only caused by the milling about of people, but also by the chickens, ducks, cats, a few dogs, goats and cows. And don’t forget the stir caused by flies, swallows, and various species of geckos. Outside of the village, there were hundreds of mopeds, cars and more mopeds and scooters. Here in the village, they were parked at the few spots that remain dry. The preparations for the festivities were in full swing. Still single, Hanepi was helping with the preparations for the meal; all of the unmarried men were lending a hand with this marriage celebration. Hanepi’s father was the village elder, and fulfilled an important role in the community. He appeared briefly to say hello. Since Sping was already married, he was relieved of any matrimonial tasks and helped us into the traditional costume: a sarong for both of us, and a cloth skillfully folded around my head, the same kind of cloth that the Balinese top chef Lonny always wears. We went to the village square where hundreds of people had gathered. There was a platform in the middle, and tarps had been hung up to protect the guests from the rain. The band was seated and ready. As the guests of honor, a spot had been reserved for us at the front, on the stage. We were served coffee and sweets. The single men were still working on the preparations for the afternoon meal. The band started to play traditional music. A man dressed as a woman, or a woman dressed as a man - I couldn’t really be sure - danced, sang and told the story of ‘the abandoned child’. Between the singing and the tales, the band joined in with drums, cymbals, flutes and a lute. An atmosphere of joy and delight dominated the scene. After asking around, I discovered that not everyone interpreted the sung tales the same way. It could be a warning not to marry too soon, since this only results in unwanted children; or about a mother who is unable to feed her child herself and thus abandons it; or that the child is 'supplemented' with cow's milk and develops 'animal-like traits' as a result; or how if, as a child, you say you are going to school, then this is what you must do, and not play truant since this can result in unwanted children. I personally liked the last, modern explanation the best. The following morning, we visited the Muslim school in the village. I couldn’t quite figure out what exactly was being taught, but if they were teaching the children that you could get ‘animal-like tendencies from drinking cow’s milk’, I would probably decide to stay in school a bit longer if I were those children.
After the communal meal in the village, we took a break with a beer, sake and tasty snacks. In the afternoon, a cloth was once again wound around my head, a black one this time. I was given a different sarong and a black coat, a short jacket of sorts, with one row of gold-plated buttons. Half of a uniform dating back to the days of the Adjeh war? Some of the natives fought on the Dutch side, didn’t they? At any rate, somber attire for a festive procession with the bride and groom. During a trek that lasted two hours, this gathering of hundreds of unmarried people, family members and villagers moved from the mosque to the bride’s new home, somewhere far off in the dessa. Two bands now provided musical accompaniment. Traffic came to a complete standstill in every direction. The man-dressed-as-a-woman or woman-dressed-as-a-man put on a continuous performance during the procession. The two bands were now either both joining in or competing with one another. The young men were barefoot, and I was wearing an old pair of Hanepi’s slippers. I had never walked in slippers before, but was nonetheless happy that I had left my good shoes at home. It rained non-stop. The bride was so radiant, she looked as if she had achieved nirvana, and the groom made exactly the same impression.
Before coming here, we had asked around to find out what an appropriate gift would be for the bride and groom.
“If it's a friend of yours, give him a condom,” one person had suggested.
“Young married couples have children way too soon, and only then do they realize the consequences of their marriage.”
Although we found this gift a bit on the intimate side, it did make sense I couldn’t help thinking about the story that was sung that morning, about his parents, who, as much as they would have liked to, couldn’t read or write. I thought about Hanepi, who had come so far with his studies and who spoke English so well. I thought about how much he deserved a bride, a procession like this through his village, and the night that would follow. He was the right age for all of it, and deserved it and all of the consequences that go along with it. BB
Bali/Lombok, 22 March – 1 May 2011
First appeared in 'Eén met de dingen' (collection of short stories). See: www.mijnbestseller.nl
|
|
Reageer hier
|
20:15 uur
|
|
|
|
Vrijdag , 04 Maart 2011
|
|
|

Je moet geen kritiek hebben
Buiten klonk lawaai. ‘Dekking, dekking!’ schreeuwde mijn buurman in mijn oor. Verstond ik hem goed? Ik begreep het niet. Toen trok hij me opzij. Ik keek om. Een vrouw kwam van achter uit de zaal aangerend met de hand voor de mond. Het lukte haar niet om voor de tafel van de voorzitter langs, naar de uitgang, te komen. Ze nam haar hand weg. Een wanhopige blik, een verontschuldiging misschien. Een vloed van braaksel kwam op zijn tafel terecht. Door de helikopter die op het pleintje neerdaalde, was een gesprek onmogelijk. De voorzitter snelde weg. De ramen trilden. We wachtten op stilte.
Achterin de zaal ontstond nu ook beroering. Omstanders deinsden terug. Toen bleek de aanleiding van de acute misselijkheid van de vrouw. Ik zag een bloederig tafereel, een anatomische les zonder dokters. Patrick Bezzi had de pink van zijn linkerhand gesneden. Hij zat erbij alsof hij geen pijn had, alsof hij geen deel uitmaakte van de gebeurtenis. Een man van weinig woorden, een houthakker, zo kende ik hem. Bezzi maakte zijn mes schoon aan zijn mouw, klapte het geroutineerd met zijn rechterhand dicht en stak het in zijn zak. Hij hield zijn linkerarm gestrekt voor zich, alsof hij op een dokter wachtte. Zijn bloed sijpelde over de tafel, langs de tafelpoot op de houten vloer. Daar lag zijn pink. Mijn vrouw Caroline, die verpleegster is, snelde toe om zijn arm af te binden en het bloed te stelpen. De helikopter vertrok: stilte. Iedereen ging naar buiten. Al maanden was de weg afgesloten vanwege vallend gesteente. Hoeveel vergaderingen waren er al niet belegd? Hadden we er wel goed aangedaan om hier te gaan wonen? Het was een dorp in de bergen aan de Middellandse zee, gaaf, nog ongeschonden door nieuwbouw, een uurtje rijden naar het werk. Weg van de drukte van de kust, de zomerse hitte, de luchtvervuiling. Een schooltje voor onze kinderen.
Mijn naam is André Tremonti. Ik ben handelaar in mobiele telefoons en werk in Monaco. Parttime ben ik daar, de rest doe ik thuis. Dat heb ik met mijn baas geregeld. Monaco is een internationale markt met veel buitenlandse bedrijven. Veel gaat via het Internet. Ik verkoop wel aan particulieren, maar vooral bij grote projecten ben ik actief. Ik heb geen bijzondere kennis van deze apparaten, maar ik ben er handig mee en ik spreek mijn talen. We spraken vroeger thuis Monagaskisch. Frans was mijn tweede taal. Ik ben geboren in Monte Carlo, maar ik kan het me niet veroorloven om er te wonen. ‘Het starttarief’ is er te duur, zeg maar. Ik heb in de bergen gezocht naar betaalbare huizen en villa’s. Uiteindelijk kocht ik twee étages in een oud gebouw. Het enige dat goed was aan dat gebouw, was het nieuwe dak, de fundering en de muren. Alles was eruit gesloopt. ‘Casco oplevering’ stond erin de advertentie van de makelaar. Kaal. De Tweede wereldoorlog had er zijn sporen achtergelaten. De houtworm had alles opgegeten. De mistral had decennia lang vrij spel gehad, maar het was wel helemaal van natuursteen opgetrokken. Ik had uitgerekend dat deze aankoop het voordeligst was. Je kunt tegenwoordig wel een stuk land kopen met een bouwvergunning en dan laat je een organisatie die ‘Maison Aplomp’ heet, er in twee maanden een ProvenÇaals huis opzetten. ‘Champignons’ noemen ze die huizen. Ze groeien als paddestoelen en overal komen ze de grond uit, maar nog niet in dit dorp. Misschien had ik daar nog wel vrede mee gehad, maar mijn vrouw niet. Zij was nog liever in het dure en donkere appartement in Monaco gebleven, dan mee te groeien in deze champignonkweek. Zij is verpleegster in een ziekenhuis in Monaco. Ze ziet zoveel kankergezwellen, dat ze alles wantrouwt dat snel af is of als kool de grond uitschiet. Door haar kwam ik op het oude gebouw met het nieuwe dak.
Op de dag dat Patrick Bezzi zijn pink afsneed, waren er al vier maanden verstreken sinds de weg gesloten werd. Het was al vroeg warm en bedrukt in de lente, terwijl de winter juist lang en streng was geweest. Bergen sneeuw kwamen neer. Vorst en schrale winden, dan weer dagen regen en ijzel. In die weersomstandigheden braken takken en gingen bomen om. De sneeuwmassa begon op steile hellingen als een gletsjer te schuiven. Op smalle doorgangen in de vallei, lagen elke dag nieuwe stenen op de weg. Toen nam iemand de beslissing om de weg te sluiten. Begin januari. Wie er verantwoordelijk voor was, kon niemand me vertellen. Als ik ernaar vroeg, kreeg ik als antwoord: ‘Il ne faut pas critiquer.’ (Je moet geen kritiek hebben) Op het moment dat Bezzi zijn mes pakte, was er weer een vergadering gaande in grote zaal in de Mairie, de zaal van de Troisième Age. ‘De leeftijd van een gezegende ouderdom.’ Het dorp vergrijsde. Patrick Bezzi was ook al op leeftijd. Ons dorp had geen economisch belang, geen skiliften, nauwelijks nieuwbouw. Slechts 40 dorpelingen waren dagelijks afhankelijk de weg naar de kust; twaalf kilometer naar beneden, naar het volgende dorp en dan nog twaalf naar de kust, naar de tolweg. Het dorp was nu alleen via de bergen bereikbaar, een omweg over drie cols, van haarspeldbocht naar haarspeldbocht, 48 kilometer om. Elke dag werd er vergaderd. De pers was ter wille. Cameraploegen daalden neer en stegen op. Elke week een stuk in de krant. De weg bleef dicht. Onduidelijk was wanneer hij weer open zou gaan. Er woonden toch alleen nog maar oudjes? De helikopter was vertrokken. Bezzi had een dokter nodig. Het dichtstbijzijnde dorp met een huisartsen praktijk was minstens vijfenveertig minuten rijden. Mijn vrouw had hem verbonden. Om de twintig minuten moest de bloeddoorstroming weer opgang gebracht worden anders zou hij blauwe vingers krijgen. Wij waren nieuwkomers in het dorp. Ik reed in een Subaru Impreza WRX. Die had ik laten tunen. Standaard had hij 260 pk met een cilinder inhoud van een kleine 2000 cc. Ik zou die afstand in dertig minuten kunnen rijden, maar dan moest ik zeker weten dat de weg vrij was. Alleen een bijrijder die de weg goed kende, hoefde niet over te geven. Iedereen zou misselijk worden in al die haarspeldbochten. Het was logisch dat wij hem zouden brengen. We gingen met zijn drieën en op de col zouden we stoppen en zou mijn vrouw Bezzi opnieuw verbinden. Onderweg probeerden we de huisartsenpraktijk in het naburige dorp te bereiken. Geen bereik. Op de col belde ik nog eens: een antwoordapparaat. Mijn vrouw belde met de eerste hulp van haar ziekenhuis, voor het geval we niemand troffen en verder moesten. Alweer een antwoordapparaat. Als we daar heen zouden moeten, wist ze wel de dienstdoende arts te bereiken. Dan zouden we zeker een uur onderweg zijn. Bezzi zat stil naast me. Bleek. Hij dronk uit zijn fles en deed er het zwijgen toe. Het zette me aan het denken en eigenlijk had hij gelijk. Er werd wel vergaderd, maar er gebeurde niets en iedereen wist dat. Er gebeurde immers al zoveel? Helikopters vlogen af en aan. Bezzi had een keer in de vergadering gezegd: ‘Als je de afspraken tussen de burgemeesters niet snapt, snap je ook niet waarom de weg dicht blijft.’ Nogal cryptisch en de aanwezigen wilden er niet op ingaan. De voorzitter kapte hem af. Niemand had iets aan verdachtmakingen. Maar waarom bleef de weg dicht en waarom werd er geen datum voor de opening genoemd? Zij die het werk van dichtbij hadden bekeken, zeiden dat het heel lang kon duren omdat de bergen van boven af werden schoongemaakt. Alles was los zat ging naar beneden met behulp van dynamiet. Er werden netten gespannen om losse stenen tegen te houden. ‘Dit gaat nog een jaar duren.’ De houthakkers deden vroeger het onderhoud van de weg. Een gezamenlijk belang met de rest van de bevolking. Er vielen altijd stenen. Was dat het geval dan liepen ze er naar toe en werden ze verwijderd. Ze klommen zonder touwen langs steile hellingen. Boswinning werd ook gedaan op ontoegankelijke percelen. Al maanden brachten helikopters nu de werklieden van ‘Mountain specialists’. ‘Moonteen spezziasliede,’ zeiden ze hier, als ze overvlogen, als ze hun kunstjes deden aan lange touwen, als ze het geroffel van dynamiet explosies lieten horen. ‘Moonteen spezziasliede’ was voor ons bezig, die gingen de weg repareren, die besteedden drie miljoen Europees geld voor ons. Maar de weg bleef dicht. We kwamen aan in het volgende dorp en Bezzi moest weer verpleegd worden. De huisartsenpraktijk was dicht en het antwoordapparaat stond nog aan. Nadat Caroline het verband verschoond had zouden we verder gaan. Hij was nog steeds weinig spraakzaam. Hij me vroeg even te stoppen. Hij ging de auto uit en hield een man staande. Toen deze zich omdraaide zag ik niet het gezicht van een man, maar eerder van een leeuw. Een behaard gezicht met diepliggende ogen. Zachte ogen, dat wel, maar verder had hij een dierlijk aangezicht. Hij nam Bezzi op met een zekere geamuseerdheid, als een oude vriend, die zich wil verbroederen en verderop in een café een glas wilde drinken. Ik deed mijn raam open. Bezzi: ‘Hij kan me helpen, hij is dokter.’ ‘Dierenarts.’ Didier Trucchi stak zijn hand uit en begroette ons. Mijn vrouw legde onze haast uit. Hij knikte. ‘Waar is de pink?’ Die droeg Bezzi in zijn zak. We gingen naar het café waar de twee vrienden eerst een pastis dronken. Trucchi ging naar achteren en haalde uit zijn rugzak gesteriliseerd gaas, alcohol, netjes ingepakte scharen en messen, injectienaalden. Bezzi zat al klaar en gaf zijn pink aan. Trucchi schudde van nee. ‘Weg is weg, dan had je het er maar niet af moeten snijden.’ Hij kneep de wond uit tot er geen bloed meer uitkwam en ontsmette hem nog een keer. Mijn vrouw assisteerde en nam het uitgeknepen stompje over. Met een geroutineerde hand naaide Trucchi het vervolgens dicht. Ik werd misselijk en dorst niet meer te kijken. Bezzi ging niet van zijn stokje, hij prevelde: ‘Politiek. Ze hebben de weg gesloten niet vanwege het gevaar, maar vanwege hun ambities. Er is Europees geld mee gemoeid. Die burgemeesters zitten allang achter dat geld aan. Dit is hun kans om de vallei te ontsluiten. Het kan hun niet schelen hoe lang het duurt. Daarna willen bouwen...’ Ik haalde pastis voor ons allen. Patrick had zijn broek naar beneden. Didier gooide een spuit vol anitbiotica in zijn bil alsof hij een paard was. Hij zou die nacht bij hem blijven en zich de volgende morgen door de doktersdienst verder laten behandelen. We dronken. ‘Weg is weg.’ We werden goedlachs. We waren er even uit, we deden nog een rondje, we verbroederden. Door ons isolement waren we zorgelijk geworden. Logisch, zonder Caroline en Didier had Patrick het loodje gelegd. Ik was niet kwaad, maar ik voelde een verbetenheid. De verbetenheid van iemand die op zichzelf is aangewezen. We moesten hier overleven en met de sluiting van de weg, werd dat lastig. Mijn grootouders waren uit het achterland naar de kust getrokken. Ik was teruggekeerd. Caroline’s familie kwam ook uit de bergen. Misschien waren we nooit weggeweest?’ ‘Weg is weg?’ Dat nooit. Ik moest aan de films Jean de Florette en Manon des Sources denken. Een hebzuchtige buurman had de bron voor erfgenamen verstopt. In het dorp kende iedereen het geheim, maar ze zwegen. Manon’s vader stierf terwijl hij naar de bron zocht. Zonder bron geen leven. Manon kon pas jaren later, toen ze volwassen was, wraak nemen. Op wie konden wij wraak nemen? Thuisgekomen vroeg Caroline: ‘Zou je niet in de politiek willen? Jij bent een moderne man. Dat is hier nodig.’ ‘Ik kan beter broeder worden en ziekenvervoer doen.’ Ze had het niet gemerkt. Door de pastis zat ze honderduit te kletsen. Ik reed geconcentreerd, in topsnelheid terug. In de bochten gooide ik de WRX er zijwaarts in: Vol gas, handrem aan, gas even terug, tegensturen en dan weer vol gas. Elke keer gleed ik door een bocht en trok ik hem er weer recht uit.
De volgende ochtend werd ik wakker van de stilte. Geen verkeer, geen geklapwiek van helikopters, niets. Op de site van de Nice-Matin las ik dat er een helikopter verongelukt was. De helikopter, die gisteren van het plein vertrok. Deze zou de mannen van Mountain Specialists ophalen. Tijdens de landing raakte één van de wieken een dennenboom en de helikopter stortte in het ravijn. De twee inzittenden waren op slag dood.
BB
|
|
Reageer hier
|
20:13 uur
|
|
|
|
Woensdag , 2 Juni 2010
|
|
|

Het vijfde deel
‘Je hebt al tien euro, genoeg om de nacht op een bed te slapen. Toch blijf je je hand ophouden om nog twee euro bij te verdienen. Dat geldt ook voor een iemand die rijk is. Die wil ook 20% meer. Het gaat niet om geld, maar om méér geld, dat is interessant. Of je nu langs de straten zwerft voor je inkomen of bij een bank bonussen verdient, het gaat altijd om een vijfde meer.’
De jongste van de twee was aan het woord. Hij was de prater van hun beiden. De oudste zweeg, hij knikte slechts. Zo waren ze in duistere zaken terecht gekomen. Geen grote boeven, maar gevaarlijk genoeg als zij hun deel niet kregen. Vader zat op zee, die kenden ze nauwelijks en moeder zat in de conserven, in IJmuiden. Vis. Misschien hadden ze het avontuur van vader, het zorgvuldige inpakken van diverse waren hadden ze van moeder. Het waren smokkelaars, die twee. De beste waar kwam binnen in kotters over de Noordzee. Ze waren er beroemd mee, nog voor dat de Amsterdamse maffia het overnam. Er werd teveel geld verdiend. Het was te eenvoudig. Het vijfde deel werd er gratis bijgeleverd. Totdat er een lading overboord werd gezet. Toen bleek dat er veel geld in zat, geleend geld. De kustwacht was de smokkelaars op het spoor. De relaties waren verpest. De broers namen de wijk naar het noorden. De twintig procent extra was nog mogelijk, maar er moest om gevochten worden. Daar waren ze niet bang voor, het kostte teveel en er vielen doden. Geen zware jongens, maar kleine criminelen, dat waren ze. De Randstad was toen nog het rijk van de gematigde roes. Dat rijk werd steeds meer overheerst door de ‘Priester en de ‘Hakselaar’. Concurrentie werd niet getolereerd. Die kreeg bezoek van lieden met namen als ‘Klapper’ en ‘Mierenest’.
Met de intrede van de heroïne, begin jaren zeventig, veranderde de Randstad in het wilde westen. De broers gingen elders op zoek naar extra verdienste. Zo had de jongste het idee van doorvoer bedacht. Doorvoer van hasjiesj naar het hoge noorden, naar Noorwegen en Zweden. Dat was nog onontgonnen gebied en de manier waarop die lui daar zich konden overgeven aan sterke drank beloofde de gestage groei van hun omzet. Ik kende de ‘Daltons’ uit de Randstad. Ik was er weggevlucht en ik mocht bij Oane blijven, in de jachthut. Ik was afgekikt en bleef als assistent jachtopziener. Oane was mijn baas, hij was mijn beste vriend. Bij ons, op het landgoed van Althusius werden ladingen ingepakt en verzonden. Oane en ik waren schappelijk voor de Daltons. Vrienden zijn we nooit geworden. De jongste zag er eigenlijk net zo uit als de oudste en ze scheelden maar een half uur in leeftijd omdat het tweelingen waren. Blonde koppen, stekelkuiven, stevige posturen. De jongste had zijn ringetje links in het oor, de oudste rechts. De jongste had net iets langer in moeders buik gezeten, maar de oudste was een kop groter. In lengte kwam de jongste 20 % tekort, maar hij had wel 20% meer onderwijs gekregen. Hij bedacht de plannen, maar niet zonder zijn oudere broer. De jongste was driftig en onrustig. Hij speelde altijd met zijn mes. ‘Klik,’ stiletto uit, ‘klik,’ stiletto in. De oudste zweeg meestal en gedroeg zich als een bodyguard. Hij beoordeelde nieuwe plannen. Hij vond het idee van de doorvoer rookwaren naar het noorden zo niet gek nog niet en zo omzeilden ze het westen. Wij werden betrokken in hun handel. Oane keurde het duo goed. Het was beter dat Althusius er geen weet van had. Dat hoefde ook niet. Als die voor zaken in Straatsburg zat en de jonkvrouw was mee, werden we gebeld dat ze een nieuwe zending hadden. Meestal duurde het inpakken van de waar een etmaal. Een dag of twee als alle sociale rituelen werden meegerekend. We kregen te roken. Ze namen eten en drinken mee. ’s Nachts gingen wij slapen en dan gingen zij aan het werk. Fel licht, geluid van frezen en zaagmachines. Zolang de handel niet was ingepakt, deden ze geen oog dicht. Ze verzorgden het ontbijt met koffie en suikerbrood. Waren ze nog niet klaar dan werkten ze daarna rustig verder We deelden misschien niet volledig in hun twintig procent, maar het waren leuke dagen.
Als ze voorreden in hun Ford Studebaker (een pickup uit 1949, acht cilinders, 1 liter benzine per 4 kilometer) liep het dorp uit alsof het bevrijdingsdag was. Hun zwarte Ford was aan de voorkant met rode en gele vlammen versierd. Het vehikel leek in brand te staan. Ze droegen ongeacht het weer zonnebrillen. De jongste reed. Hij kwam net met zijn hoofd boven het dashboard uit. De oudste bewaakte de lading. De hasjiesj lag aan zijn voeten. Achterop de laadruimte lagen de objecten waarin de rookwaar verstopt zou worden: Een Biedermeier tafel, een pianola, een antiek bureautje. Ook was er een grote kist op de laadbak gemaakt. Zo’n kist waarmee aannemers en gemeentelijke diensten mee rondrijden. Ze haalden er zoveel gereedschap dat de Daltons wel professionals leken. ‘Handelaren in ontroerend goed,’ noemden ze zich als erom gevraagd werd en een ieder die vragen had werd te woord gestaan. Er ontstond altijd bekijks: de artiesten uit de Randstad zijn weer gearriveerd. Artiest was je hier al gauw, maar een artiest met geld, daar kwamen ze de huizen voor uit.
De eerste zending vond plaats in het midden van de jaren zeventig. Een ronde tafel op één poot. Het blad kon er worden afgeschroefd. De poot was uitgehold en zat vol met hasjiesj. Ook onder het blad waren plakken stuff weggewerkt en weer kunstig afgedekt met triplex. Ze transporteerden niet zelf maar hadden een chauffeur met auto gecharterd. Die zou de waar in Stockholm op een bepaald adres afleveren en het geld in ontvangst nemen. Volgens de berichten was het hem gelukt om bij Göteborg Zweden in te komen. Bij de douane was het angstzweet hem uitgebroken en werd hij uit de rij gehaald. Ze konden niets vinden. De chauffeur had zich toen pas het risico gerealiseerd. De Zweden en ook de Noren zetten smokkelaars voor vele jaren vast. De Daltons kregen hun geld, maar de chauffeur nam geen genoegen met zijn deel. Hij wilde meer.
Bij een volgende zending was de waar in het chassis van de auto verwerkt. Na het transport zou de auto worden gedumpt. Er zat zoveel hasjiesj in dat het riskant was om te rijden. De chauffeur werd opgepakt en zat vele jaren vast. Zo ontstond het idee van ‘franchising’. De Daltons leverden de waar, verborgen dat steeds vakkundiger in allerlei objecten. De betalingen werden voor transport voldaan. Ze verdienden minder, maar het was wel de formule om aan redelijk winstpercentages te komen. De Daltons begonnen zich als groothandelaren te gedragen. Met hun opzichtige auto trokken ze steeds meer de aandacht. Ze waanden zich veilig in het noorden, ze zaten niemand in de weg in het westen, ze organiseerden nieuwe handelsbetrekkingen: zij waren entrepreneurs met een weidse visie op Europa. Hun verbeelding was aan de macht. Maar hun komst werd voor ons steeds ongemakkelijker. Er volgden nog diverse zendingen.Wij begonnen ons knap te ergeren aan het tweetal en blijkbaar wij niet alleen. De politie was getipt. Op de Afsluitdijk bij het Kornwerderzand werd een snelheidscontrole uitgevoerd. De Daltons werden eruit gehaald. Uiteraard voldeden ze volledig aan hun signalement. De jongste was zijn zenuwen niet de baas. De pickup was afgeladen vol met hasjiesj en een ongeregeld assortiment huisraad. De opsporingshonden stonden te blaffen.
Zo kwamen ze in het cachot in Leeuwarden en zo werd Althusius er als hun advocaat bij betrokken. Ze stonden vrij snel weer op vrije voeten, maar de pickup met de lading werd in beslag genomen. De winst van een heel jaar, ging op in rook. De jongste wilde wraak, maar op wie moest hij zich wreken? Ik herinner me nog goed: de rechtszitting begon om half tien. We gingen vroeg op pad en reden met Althusius mee via Bolsward naar Leeuwarden. We reden langs Kolderwolde, langs Bovenburen, langs Grote en Kleine Wiske, langs Dedgum, Wommels en Spannum. Geen vuiltje aan de lucht: alles was strak blauw of groen. Althusius was zwijgzaam en wij voelden ons beklemd. Wij waren schuldig, we hadden nooit met hem over de Daltons gesproken. Ze hadden niemand van ons schade berokkend, het was een genante vertoning geworden. Nu reden we ook nog mee als ramptoeristen.
Ik houd niet van rechtzittingen, maar het college zag er streng en rechtvaardig uit. Alle drie keurig in toga met een bef. Ze leken enigszins geamuseerd toen Althusius begon. Misschien was dit een zaak om te lachen? Toch werd toch er 15 kilo van de beste Libanon in beslag genomen. Althusius schetste in korte bewoordingen de toestand in de Randstad. Hij vertelde over de uit de hand gelopen handel in softdrugs. Geboefte, terreur, liquidaties. Hij somde de daders op. Onverschrokken, met naam en toenaam. Ze zijn allemaal dood, maar zelfs nu durf ik hun namen niet uit te spreken. Hij gaf exact, als een beurshandelaar, de prijzen van de verschillende soorten hasjiesj die toen rondging. Redelijke prijzen en redelijk goede waar. ‘Verslaving is bij hasjiesj geen vaststaand gegeven,’ zei hij diplomatiek. Toen begon hij over de introductie van de heroïne en de verharding in de drugsscene. ‘Waarom grijpt het Openbaar Ministerie niet in? Die business is keihard en daarin past dit tweetal niet. Ze zijn weggevlucht.’ Hij zweeg even en het college bleef het antwoord schuldig. Althusius maakte vervolgens met een ruim gebaar naar de verdachten: ‘Dit zijn aardige jongens. Harde werkers met redelijke winst percentages, geen bloedzuigers.’ Hij schetste ze als dappere lieden die niet in vuile handel wilden, die het avontuur zochten. Het avontuur van hun vader, die over de wereldzeeën zwierf en die ze nauwelijks gekend hadden. ‘De Daltons zijn niet slecht, ze missen bescherming en de begeleiding van hun vader,’ zei hij en hij vroeg om een milde taakstraf.
‘Maar er waren toch altijd vier Daltons?’ Vroeg de rechter.
‘Edelachtbare, me dunkt, twee van deze typen dat is toch wel voldoende in onze contreien,?’ Het college schoot in de lach.
De jongste Dalton werd driftig en greep in zijn rechter broekzak waarin gewoonlijk zijn stiletto zat, maar die had hij, bij binnenkomst in de rechtzaal, moeten afgeven. De oudste legde de hand op zijn arm en maande tot kalmte: ‘Rustig, wat wil je meer? In die opmerking zit jouw winst. In de Randstad zouden we jaren moeten zitten. Dat vijfde deel van jou, dat moet je er nu vanaf trekken. Let op, dit loopt af met een sisser.’
BB
Ik verbleef van 2 tot 12 juni in het schrijversarkje van Rink van der Velde. 2010 was het Rink van der Velde jaar. ‘Het vijfde deel” is een nieuwe aflevering in ‘Ien mei de dingen’. Het feuilleton verscheen in 2009 bij Noordboek, Friese Uitgeverij. Avonturen van Pier Perfect, Oane, Althusius, de jonkvrouw en Tammie, het kooikerhondje. Verschillende afleveringen verschenen in de Friese literaire Tijdschriften Hjir en Farsk (in 2009 gefuseerd in Ensafh). Zie: http://www.ensafh.nl
Alles is tevergeefs
Tergend langzaam kwam de trein het station binnen. Er leek geen eind aan te komen. Hoe lang duurde dit nu al? De machinist hing uit het raam om de wisselingen van het spoor te volgen. Een man die voor de trein liep verplaatste de wissels één voor één met de hand. Gesnerp, schurend metaal op metaal, vonken. De tonen, die lang aanhielden, gingen me door merg en been. Zinderingen hingen boven het spooremplacement. Het gesjirpt van de krekels verstomde.
Het was warm en ik was misselijk. Ik was gestrand in een bergdorp in Italië, ik wilde door naar San Remo waar ik een hotelkamer had gehuurd. Stakingen. Al dagen was ik onderweg vanaf het zuiden. Ik zat alleen aan een bar in een hoekje van een wachtkamer die de grootte had van een stationshal. Een hal die in Turijn of in Milaan niet zou misstaan. Ik keek naar de naderende trein. Hij leek zich overdwars over de rails te bewegen, van wissel naar wissel, van spoor naar spoor, om tenslotte steunend en krakend voor het perron tot stilstand te komen. Ik zou ook staken als in zo,n hitte moest werken. Maar mijn lichaam staakte.
De dood zit me op de hielen. Al lang, al jaren. Ik heb slechte uitslagen. Ik schrok. Iedereen die ik kende, schrok. Ik werd al snel opgegeven. Ik geef nooit op, maar ik heb steeds slechte uitslagen.
Ik zat daar in die gigantische stationshal. Stomme muziek. Ik ontdekte een wespennest boven me in het barretje. Het scheen de bediening niets te kunnen schelen. De wespen vlogen af en aan door kapotte ramen. Het ging niet goed me. Ik probeerde met Nederland te bellen met het ziekenhuis over een nieuwe uitslag. Nog voor ik verbinding had, was mijn beltegoed al op. Ik had nog geen woord gesproken. Ik had weinig vertrouwen in deze uitslag, maar ik kon er nu niets meer over horen. Eerst moest ik in San Remo zien te komen. Daar kon ik dan vanuit het hotel bellen. Hoe lang zou dit nog duren?
Er kwamen twee jongen met brommers de hal binnenrijden. Leuk hoor. Er was toch geen kip, maar toevallig zat ik wel daar koffie te drinken. Een uitstekende cappuccino, dat wel, maar het smaakte me niet. Niets smaakte me sinds mijn chemo kuren. De jongens met hun brommers verlieten de hal. Er bleef een blauwe walm hangen. Nee, het ging niet goed met me. Ik was te moe om mijn koffers te pakken. Het was of ik volgespoten was met lood.
Een jongen komt naar binnen en loopt op me toe. Een jaar of 24. Een mooie jongen. Zonder iets te vragen pakte hij mijn zwaarste koffer. Hij keek me aan met vragende ogen.
‘Gaan we nog?’
Hij had zijn Ipod zo hard aanstaan dat ik kon horen wat hij beluisterde: The Rolling Stones. Waarom weet ik niet, misschien omdat hij me aan mijn zoon deed denken. Ik liep op hem toe en maakte één oortje los. Ik zei in mijn beste Italiaans:
‘Zet dat ding zachter. Je verpest je gehoor.’
Hij lachte, deed het oortje weer terug, bleef staan met mijn koffer en zijn vragende ogen. Ik schudde mijn hoofd alsof hij mijn zoon was, die me wegbracht.
Voelde ik me klein in de stationshal, toen ik buiten kwam op het perron voelde ik paniek. Het was midden op de dag. De hitte was ondragelijk. De geur van teer en asfalt. Mijn jurk plakte op mijn huid. Ik ging zo wat dood. De jongen kwam naast me lopen, pakte mijn andere koffer en liep voorop naar de trein. Ik volgde. Mijn redder tijdens deze oversteek. Hij ging me voor in de trein en legde de koffers in het rek. Hij nam één oortje uit en groette beleefd. Ik kreeg geen woord uit mijn keel, ik keek hem met open mond aan, ik zie hem nog weglopen naar de stationshal: een engel, wat anders?
De trein verliet het station. Uit het barretje in de stationshal klonk:
‘Cantaré, volaré, oh, oh, ho, ho,..’ Het liedje werd overstemd door het gesnerp en gepiep van de trein, door schurend metaal op metaal. De jongen met zijn beide oortjes in, stond in de deuropening. Hij kon het niet horen. Hij zwaaide.
‘Love in vain’, dacht ik en ik zwaaide terug. Slingerend van wissel naar wissel, van spoor naar spoor, vervolgde mijn trein zijn weg.
BB
|
|
Reageer hier
|
08:23 uur
|
|
|
|
Woensdag , 1 Juli 2009
|
|
|

Twee bruggen
Vandaag zag ik verschillende bruggen, een boog van aluminium en een lange brug die als een ponton in het water lag. Bruggen verbinden oevers. Bruggen houden de boel bij mekaar. De mensen spreken graag van ‘brugfuncties’. Op de eerste brug stond burgemeester Job Cohen. Het was drie uur 5 september 2009. Hij hield een toespraak en opende een wijk aan de IJ-oevers van de stad. Cohen is ook een soort brug. ‘Een stad heeft geld nodig en mensen moeten wonen, een ontwikkeling van win-win,’zei hij. Het Westerdokseiland is klein gebied aan de zuidkant van het IJ. Er wonen hier nu veel mensen en de hoogbouw is al in de prijzen gevallen. ‘Nieuwe bewoners kunnen trots zijn.’
Nu verbindt een brug van glimmend bauxiet de oude stad met een nieuwe woonhaven. Daar, waar ooit de trotse schepen uitvoeren om de wereldzeeën te bezeilen, om verre wingewesten in te lijven, daar staan nu, heel dichtbij, dure huizen op de kade. Cohen verbond de stadsontwikkelingen van Zuid met een lijn naar Noord. De bewoners die er al langer woonden in arken en woonschepen keken argwanend toe. De waarde van hun ligplaatsen was meegegroeid met de ontwikkeling. Deze brug leek zijn rug te bollen als een boze kat.
Zeven uur die zelfde dag. Even verderop, aan de andere kant van het Centraal Station. Een brug kun je het niet noemen, meer een loopbrug op palen langs de oude haven aan het IJ. Zo kun je vanaf het Stationsplein bij de Openbare bibliotheek op het Oosterdokseiland komen. Op de Caraïbische Letterendag wordt die avond in de Grote Zaal Edgar Caïro geëerd. Edgar Caïro (1948 – 2000) schreef vele boeken: romans, poëziebundels, theaterstukken, essays. Hij was de eerste migrant-schrijver die columns schreef voor de Volkskrant. Hij schreef over ‘het negerschap’: de geschiedenis en het verdriet van de zwarte mens, in Afrika, het Caraïbisch gebied en het verdriet als migrant in Holland.
‘Als een kleine hosselaar op een Nederlands achtererf en geslaagd zakenman, als verzetsheld en koning, als trotse neger én als mens die vooral met zichzelf worstelt.’
Caïro schreef in het Nederlands en het Sranan en vooral: in zijn eigen ‘Caïrojaans’. Zijn tijd ver vooruit riep hij evenveel bewondering als weerstand op. Hoe men ook zijn werk inschat, hij was een brug tussen verschillende culturen. Toen ik thuiskwam, schreef ik op:
Zwoel. De krekels tsjirpen luidruchtig voor het slapengaan. Avondzon in september. De bladeren aan de palmbomen bewegen zachtjes in de wind. Papagaaien vliegen op. De vleermuizen trekken de stad uit naar de noordoevers. De loopbrug ligt lang en loom als een krokodil voor bibliotheekeiland. Deze brug verbindt inzichten van verschillende culturen, van Alexandrië tot Nieuw-Amsterdam. Hij verbindt openbaar en besloten, ver en dichtbij. Op deze brug wil ik blijven lopen, heen en weer.
'Twee bruggen' is ook verschenen op: http://caraibischeletteren.blogspot.com/2009/09/westerdok-5-september-2009-15.html
BB

Een koekje van eigen deeg
Mijn naam is Johannes Bick. Ik stam af van de gebroeders Bicker. De “er” is eraf gesleten. Ik stam af van degenen, die aan het begin van de zeventiende eeuw het Bickerseiland lieten aanplempen. Bestuurders, scheepsbouwers, kooplieden dat waren ze. Ik zat net als mijn latere voorvaderen in huizen. Goede handel, onroerend goed. Waarom dat tegenwoordig “vastgoed” heet, dat weet ik niet. Of het moet betekenen “geheid goed”. Dat snap ik. “Houd je rustig en verroer je niet.” Dat zei mijn vader altijd en gelijk had hij. Bij onroerend goed komt het op geduld aan. Niet teveel bewegen, geen haast. Dat schijnt tegenwoordig anders te zijn. Ik heb zoveel bezittingen geërfd dat ik weinig anders hoefde te doen dan het onderhoud na te lopen. Of ik liet iets gewoon verkrotten. Afbreken was ook een mogelijkheid en dan met subsidies weer mooi opknappen. Neem de tijd. Het maakt niet zoveel uit als je eigenaar bent, want de woningnood wordt hier vanzelf op peil gehouden en de prijzen stijgen. Dat gaat ook vanzelf. Ik ben een vermogend man, maar dat hang ik niet aan de grote klok. Vanwege mijn afkomst, mijn naam en de rust waarmee ik mijn onroerend goed beheer, word ik nogal eens benaderd met verzoeken. Daar ga ik nooit op in. Ik ben nogal conservatief, ik hoef geen vliegers op te laten. Onlangs werd ik ’s avond op straat aan gehouden door iemand die mij een dikke envelop in mijn handen drukte. “Meneer Bick u bent een wijs en verstandig man. Dit moet u lezen. Het gaat over nieuwe ontwikkelingen aan de Amsterdamse haven. Niemand wil hier iets van weten. Eén grootscheepse uitverkoop, dat is het.” De man die mij de envelop overhandigde, snelde weg. Thuisgekomen begon ik te lezen. Een pak papier bleek in de envelop te zitten. Ik ken mijn klassieken: het leek wel “Het pak van Sjaalman”. Verslagen, verhandelingen, essays. Ik neem zomaar een stuk. Het gaat over het Westerdok aan de westelijke kant van het IJ, over hergebruik van een oud gebouw van de spoorwegen. Ik verander de namen, want ik wil geen gedoe achteraf. Het gebouw is al weg. Die vastgoed ontwikkeling is daar toch niet meer te keren.
10.00 uur. De vergadering begint. De leider van het IJ-oever project, Geert Boven is er. Kees IJzer, architect is er, en praktisch alle bewoners en direct betrokkenen. Na een korte inleiding over de situatie, de kansen voor verder verblijf, de kansen voor behoud van de loodsen, wordt over de herontwikkeling van de Douaneloodsen besproken. Daar is Kees IJzer voor. Hij is ingehuurd door de bewoners. Hij moet in een vroeg stadium mogelijkheden en wensen inventariseren en een eerste schetsmatige opzet maken. Een gedeelte voor wonen en werken,, voor voorzieningen, café, klein theater, expositieruimte en wat dies meer zij.
10.20 uur. De architect is nieuw. Een beetje zenuwachtig. Maar hij brengt de zaak voorzichtig ter tafel. Hij zoekt naar woorden en mogelijkheden. Diplomatiek. Geen onverstandige aanpak. Voor er iets op tafel komt is het goed om reacties te peilen en “ideeën in de week te leggen.” IJzer is nieuw in dit gezelschap en maakt de indruk de klappen van de zweep te kennen. De loodsbewoners hebben aan hem ook te kennen gegeven in goed overleg tot alternatieven te willen komen. Behoud van de Douaneloods en behoud van hun woon- en werkplek dat is het mooiste.
10.40 uur. Volgens Boven is alles mogelijk. Het gaat er alleen maar om tijdig met goede schetsen en plannen te komen. Boven is optimistisch. Misschien te optimistisch? Alles kan. Het is duidelijk te merken dat Kees IJzer er niet gerust op is en telkenmale stelt hij dezelfde vragen. Diplomatiek en vragend, steeds en weer op de tast. Geen nieuwe informatie. Hij blijft peilen wat de mogelijkheden zijn. Verschillende combinaties van functies. De huidige bewoners hebben niet het gehele gebouw nodig. Wat wil de gemeente? Ook Geert Boven drukt zich diplomatiek uit: “De gemeente wil voor als nog niets. We willen open en dynamisch plannen. De ruimtelijke verankering van de Douaneloodsen zal goed bekeken worden en ook plannen met functiemenging in het stedelijke milieu komt goed uit. Sjiek en sjofel, dat kan best!” En zegt hij “ Nieuwe elementen en bouwstenen kunnen altijd worden ingevoegd en de ruimtelijke kwaliteit van de Douaneloodsen komt met goede plannen beter voor het voetlicht. Goede plannen zijn altijd beter dan slechte!”
11.00 uur. IJzer krijgt steeds dezelfde enthousiaste reactie terug. Mogelijkheden staan open: het komt allemaal goed. IJzer gelooft het niet. Dat is nu duidelijk. Hij kijkt wanhopig rond. Hij krijgt een zenuwachtig trekje bij zijn mond en begint rood aan te lopen. Voor een ieder in het zaaltje is de situatie nieuw. Ook voor de gemeente en wellicht ook voor Geert Boven. Misschien is er inderdaad van alles mogelijk en hoeft het gebouw niet te worden afgebroken. Er zit weinig anders op dan positief te blijven. Daarom zijn we bijeen. Geert laat zich van zijn goede kant zien. “Kom op Kees, kijk met vertrouwen de toekomst tegemoet.” Zegt iemand.
11.15 uur. Geert Boven zit rechts van Kees IJzer. Kees kijkt nog een keer wanhopig rond en dan haalt hij plotseling uit met zijn rechterhand zoals een tennisser dat met een backhand doet. Een goede backhand. Geert krijgt een slag met de rug van zijn hand midden in zijn gezicht. Opperste verbazing van iedereen aan tafel en in alle opzichten dramatisch. IJzer: “Jij zit hier maar te lullen met al je mogelijkheden. Die zijn er niet, dat weet jij net zo goed als ik.” Het komt met helderheid uit de lucht vallen, echt verbazingwekkend is het niet. Maar, wat gaat Geert Boven doen? Iedereen in het zaaltje verwacht op zijn minst een paar klappen terug. Een verdediging, iets, hoe dan ook. Het dramatische effect wordt even vergroot en dan is het voorgoed weg: Boven doet niets, zegt niets, maakt zich als een schoothondje uit de voeten.
Ik kreeg die envelop zomaar in mijn handen gedrukt. Ik bemoei me niet met die moderne handel in vastgoed. Ik zie die scène levendig voor me.“Une tarte” dat is de titel. Zo noemen de Fransen dat, als je iemand zo met de vlakke hand slaat. Dan word je beschouwd als een lulletje rozenwater. Als je dat laat passeren, dan ben je een watje. IJzer had nooit mogen slaan, maar Boven had dat nooit mogen laten passeren. Die man, die kletste maar wat en was “een slap taartje met z'n IJ-Oevertje”. Dat is misschien zo, maar ook achteraf is dat geen aangename constatering. Ik kreeg dat pak papier. Ik zat altijd in het onroerend goed. Ook daar vielen klappen, maar dit blijft bij mij toch wel hangen. Had ik dan dat pak papier ongelezen moeten laten?
BB
Een Koekje van eigen deeg isverschenen in het W-dok, een magazine ter verwelkoming van nieuwe bewoners op het Westerdok. Het verhaal is ook te beluisteren op:
http://jordaani.home.xs4all.nl/Buurtboek/Westerdokseiland/Bert.htm
|
|
Reageer hier
|
09:08 uur
|
|
|
|
Maandag , 7 April 2008
|
|
|

Het horloge
Zou hij ooit nog weer goed kunnen horen, kunnen zien, kunnen ruiken? Hij herinnerde zich van vroeger vage beelden, onheldere geluiden en ook aan geuren van vroeger had hij wel enige herinnering. Hij begreep de boodschappen niet van de artsen aan zijn bed en hij begreep ook niet wat hem was overkomen. Een ziekenhuis dat begreep hij wel. Maar waar en hoezo? Wat moet zich al weer enige tijd terug afgespeeld hebben. De artsen maakten de indruk veel te weten van zijn "sensorische uitval". Hij wist niets, ook niet wat dat betekende.
"19 maart 2005 in de ochtend" zei één van de dokters. Het klonk hol en ver weg. Hij draaide zich boos om in zijn bed. Geheimtaal. Een datum. Wat had dat ermee te maken? In bed lag hij te denken wat hem overkomen zou kunnen zijn.
"Je moet teruggaan naar het begin" had één van de artsen gezegd. Welk begin? Ze hadden hem een kapot horloge gegeven. De wijzers stonden stil: vijf voor acht. "19 maart 2005, vijf voor acht" zei hij zachtjes voor zich uit. Er gebeurde niets: geen beelden, geen geluid, geen geur.
De ochtend erop keek hij op de klok van de zaal en wachtte totdat de wijzers in de zelfde stand stonden als het horloge. Onscherp zicht. "19 maart 2005, vijf over acht" zei hij voorzichtig. Niet wetende wat het betekende, noch wat er ging komen. Er gebeurde niets. Hij deed zijn ochtendjas aan en liep de gang op. Een beetje op de tast, voorzichtig schuifelend. Hij zag vage beelden. Gelukkig was het nog niet druk. Geen geluid. Sterk overheersende geur van desinfecterende middelen. Lysol? Hij hield het horloge stevig vast in zijn linkerhand. Een andere patiënt groette hem. Hij groette terug. Hij deed zijn linkerhand open en vroeg: "Vijf voor acht?" De andere patiënt keek op zijn horloge en zei: "Het is al later, het is tien over acht." "19 maart, vijf voor acht?" vroeg hij daarna. Zijn mede-patiënt begon zo maar te huilen. Een schokschouderend snikken. "Alles is weg" zei hij. "Alles is weg. Bij u ook?" Hij bleef dicht bij hem staan, hield het horloge stevig vast. Hij schrok. Er gebeurde niets. "Ik weet het niet. Ik herinner me niets." De andere patiënt liep door. Vertwijfeld bleef hij staan. Er is toen iets gebeurd. Ik was daarbij. Hij was daarbij. Toen begon hij ook te huilen om iets dat hij niet wist.
"Meneer Almajd wat staat u daar op de gang. Bent U verdrietig?" De zuster van de zaal. "Vijf voor acht." zei hij voorzichtig tegen haar. "Nee, Meneer Almajd, het is al veel later. Kom mee naar uw bed. Er is ontbijt voor u gebracht. Ze zoeken u."
Die gehele ochtend sliep hij, maar anders dan voorheen. Hij sliep als een kind met hoge koorts. Hij droomde van hooggelegen steppen in een land ver weg. Schapen, een riviertje. Een hoeder. Zijn geboortestreek? Hij zag zich zelf door het landschap lopen. Trekvogels streken al neer. Hij herkende lentebloemen. Al zo vroeg in maart?
Toen hij wakker werd, bevond hij zich in een ziekenhuis bed. Aan het voeteneind stonden de doktoren, assistenten. "19 maart 2005, vijf voor acht." Zei hij op besliste toon tegen ze en pakte het horloge van het nachtkast alsof het zijn laatste strohalm was. "Alles is weg." Riep hij de zaal door. Ze keken hem vriendelijk aan alsof ze het moment maar al te zeer kenden. "Alles is weg. Bij u ook?" vroeg hij vervolgens. Die zin herinnerde hij zich van vanmorgen van zijn mede-patiënt. Toen begon hij onbedaarlijk te huilen. Beelden. Waar ze vandaan kwamen, wist hij niet.
Een enorme explosie doet midden in het centrum een schoolbus opvliegen. Pal, naast het drukke marktplein. De markt is dan reeds in volle gang. De bus wordt binnenste buiten gekeerd en in brokstukken in het rond geslingerd. Geen van de inzittenden overleeft de klap. Bloed in spatten en vlekken, bloed als kleine stroompjes. Omgeslagen telefoon- en electriciteitspalen. Kinderwagens, kledingstukken, tassen. Vleesresten. De kraampjes worden met inhoud en al weggeblazen, het glas in de omringende gebouwen barst naar binnen. Alles wordt verwoest in een uitzinnig geweld. De ravage op het plein is onvoorstelbaar. Een landschap als een bloederige krater. Dat is er wat er overblijft. Beiroet, 19 maart 2005. Vijf voor acht. Alles is weg.
Almajd keek uit het raam van het ziekenhuis over de stad. Hij wist nu wat er gebeurd was en in de verte kon nog de lege plek zien. Zijn marktplein waar hij zijn kraam had. Hij zag vrachtauto,s af en aan rijden om het puin op te ruimen dat er nog restte. In zijn linkerhand omklemde hij zijn enige houvast. Het horloge dat hem niet alleen terugvoerde naar een tijd die stilstond, maar dat hem zijn herinneringen, zijn beelden en geuren van vroeger, teruggaf.
BB
Gedeelde tweede prijs met Samoen Os
|
|
Reageer hier
|
17:26 uur
|
|
|
|
Zondag , 25 November 2007
|
|
|

Een scheepshut
Een slaapplaats voor zes man, niet meer. Ieder een eigen kooi. Drie boven elkaar. Haringen in een ton. Ik lag bovenin. Betje lag aan de andere kant, ook bovenin. Een kleine scheepshut op een galjoen. Omstreeks het jaar 1623. Ik lag mijn kooi. Ik kon geen oog dicht doen. Ik zag mezelf liggen. Ik dacht aan mijn ouders. Zou ik ze ooit terug zien? Ik was één van de jongsten aan boord, samen met Betje. Wij wilden persé mee met de Narwal, kostte wat kost.
Het avontuur zochten we. Dat kregen we. Storm. Gevechten met Engelsen en Portugezen. Maar nu werd de nachtelijke stilte steeds dreigender. Zou het goed aflopen met kapitein Heere en zijn schip? We moesten met hem mee en met niemand anders. Februari, twee jaar geleden bij het Bolwerk Blauwhooft aan het IJ. Ik zag ons nog rennen.
"Betje voorop, ik er achteraan. We zijn uitgeput, we snakken naar adem. Het galjoen van Wijnhoudt Heere. Wat een pracht en praal. Gods allemachtig, wat een schip. Een achtersteven met versierde zeemeerminnen. Goud, blauw en wit. Hoeveel masten heeft ie niet? "Hoger dan de Schreierstoren!" Als we nog mee willen is er haast geboden. Op de brug staat de trotse Heere, de kapitein. Hij geeft hier de bevelen. Soms lukt het om onopgemerkt aan boord te komen. Betje is de snelste. Vlug maakt hij een kleine sloep los en roept: "Wat sta je daar, gaan we nog of niet?" We slepen de sloep langs de afsluitboom, springen aanboord en beginnen als gekken te roeien. De sloep tolt in het rond. Toch krijgen we hem op koers naar de Narwal. We weten langszij te komen. Meteen worden we ge-enterd en aan boord gehesen.
"Hoe heet jij?" vroeg Heere. toen we bij hem werden gebracht. “Jacob.., Jacob Dik,” antwoordde ik. Ik was bang dat we meteen weer van boord gezet zouden worden. Ik had hem nog nooit van zo dichtbij gezien. Hij was mijn held en voorbeeld. Ik stond te trillen op mijn benen. Die oogopslag, zijn geborstelde wenkbrauwen, het gefronste voorhoofd. “Die kijkt dwars door je heen,” dacht ik. “Denk maar niet dat ik voor jullie terugga. Onmogelijk. Ik gooi jullie eruit bij Pampus," zei Heere, "Bootsman, zet dit tweetal beneden in het ruim vast en laat ze maar goed eens nadenken."
"Twee verstekelingen aan boord!" riep de bootsman naar beneden. Gegrijns van de bemanning, gratis koksmaatjes, twee uilskuikens, kinderen nog. Maar Betje en ik waren aan boord. Zo begon het. Eerst waren we verstekeling, algauw werden we gewoon ingedeeld bij de bemanning, leeftijd maakte niet uit op het schip van kapitein Wijnoudt Heere. Niemand zou hier oud worden. Dat was een gegeven.
Hoelang voeren we nu? Jaren al. 1621 voeren we weg uit Amsterdam. Het galjoen was uitgerust voor de kaapvaart, beladen met kanonnen en munitie en op weg naar verre wingewesten. Ik moest mee, ik had geen keuze. Betje ook niet. Geen wind, weken, maanden, hoe lang al? Ik lag maar in mijn kooi. Ik kon maar niet slapen. Het schip bewoog zacht. Niets aan te doen. We zagen Heere nauwelijks nog op de kampagne, Hij at niet meer mee. Hij stond hele dagen over een kaart gebogen. De bootsman zei: "Op die kaart bevinden zich lege plekken." Hij zat 's nacht eindeloos naar de sterren te turen en maakte berekeningen met een instrument dat ik niet kende. De bemanning was ongerust en roerde zich steeds meer. "Heere is de weg kwijt." En "Heere wordt matteklap", zeiden ze. De tijd verstreek soms als in een zandloper, maar nu droop het als stroop van een lepel. Het galjoen lag stil ergens op een zee. Roerloos. Eenzaamheid is een zeilschip zonder wind.
Al in geen maanden hadden we land gezien. We lagen te schommelen in een zachte deining. Het roer knarste, de masten knarsten. De zeilen klapten af en toe en bleven slap hangen. Midzomer. Bloedheet. De stuurman stond aan het roer, anders ging het schip al snel rondjes draaien met zijn hoge achtersteven. Dit schip verlijerde als de pest. Het zag eruit als een kip die graan pikt. Kont omhoog. Wellicht draaiden we al weken in grote ronden. Met de Narwal was geen koers uit te zetten. De kapitein liep maar op het achterdek boven zijn hut, te ijsberen. Hij sprak nauwelijks met iemand. De bemanning morde en spande samen. Veel zieken aan boord. Wie stierf, kreeg een sober zeemansgraf. Niemand wilde zo sterven.
Ik dacht niet dat we verdwaald waren. Ik ging naar Heere toe op de brug. "Ai, ai, kaptein, alles naar wens, alleen te weinig wind, is het niet?" zei ik. Ik was al zolang aan boord dat ik me vrijheden kon veroorloven. Ik was allang geen koksmaat meer. Heere zag dat ik slim was en zo kreeg ik al snel meer vrijheden. Ik hielp de stuurman. Ik mocht op de brug komen. Soms vertelde hij nieuwe dingen. Ik stak daar veel op van kapen en navigatie. Ik zag vanaf die brug hoe Heere en zijn mannen een Engels schip bekwaam torperdeerde, zodanig dat het niet direct zonk en alle waardevolle buit overgeladen kon worden. Nu bromde hij me toe: "De kaapvaart verdient goed, maar we gaan hier nieuw land vinden en een vesting stichten. Heb je onlangs die duif op de voorplecht gezien? We zitten niet ver van een kust af. Ik weet het zeker."
Duiven? Ik had geen duif gezien. Soms, op grote hoogte, een enkele albatros. We zagen helemaal geen land en we dobberden maar doelloos rond op een eindeloze zee. Heere begon op mij toch ook wel een zonderlinge indruk te maken. "Zou hij wel eens aan zijn ouders denken?" dacht ik. "Houdt hij wel voldoende rekening met de zeelui?” Het gemor begon steeds meer toe te nemen. Ze wilden muiten, ze waren het beu. Ze overdreven, er was nog niet zoveel aan de hand. Misschien was dat het probleem. Wijnoudt Heere was in alle opzichten een bijzonder man en had al verscheidene succesvolle reizen gemaakt. Een doorzetter. Hij kwam nooit met lege handen thuis. Voor deze reis werd speciaal de West Indische Compagnie opgericht. Heere was een zeeman die op zoek was naar bloeiende wingewesten. Een man die geld verdiende voor zijn stad, niet iemand die thuis bleef om over zijn verdiensten op te scheppen. Nors was hij ongetwijfeld en bij tijd en wijlen bruut. Dat was elke zeeman. Als je die eigenschappen niet had, was overleving onmogelijk. Heere had meer: hij was ook een zakenman die desnoods in de slavenhandel ging om zijn brood te verdienen. Een uitmuntende pionier. En dat schip van hem had een lieve duit gekost. Zonder de Compagnie had ie dat nooit gered! Dat wist ik al van Heere voordat ik aan boord kwam en ik deed navraag onder de bemanning. Velen kenden hem niet eens. Avonturiers, net als Betje en ik, maar zonder bagage. Scheepsvolk, zonder bier en jenever gemakkelijk tot oproer op te stoken. Heere bekommerde zich er niet om. Ik ontdekte dat ie verdraaid goed op de hoogte was van de stemming. Hij gebruikte mij ook om meer te weten te komen. Dat zou ik ook doen als ik kapitein was. Op een dag stootten we op een grote dode vis, die een speer in zijn buik had. We voeren langszij. De bemanning reageerde angstig. Het was een speer met gekleurde kralen. Heere nam hem mee naar de brug en deed er het zwijgen toe. De spanning steeg.
“Gestommel, zachte stemmen. Het is nacht, duizelingwekkende sterrenhemel. Heere staat op de kampagne. De bootsman besluipt hem van achteren. Betje en ik zitten een dek lager. Wij zien het gebeuren. ‘Kapitein, achter u’, roep ik”. Maar Heere had het blijkbaar al gezien of misschien wachtte hij hem op. “Man overboord!” Klonk het met luide stem. Weg bootsman. Heere liep langs ons en knipoogde.
Ik lag in mijn kooi en de gebeurtenissen speelden door mijn hoofd. Ik moest opeens heel sterk aan vroeger, aan het verhaal van Jonas in de Walvis, denken. Ik was die Jonas op een groot en stuurloos schip? Zouden we uitgebraakt worden? Ik was bang, het werd steeds onwerkelijker. "Is Heere niet echt gek aan het worden?" vroeg de bemanning aan mij. Nauwelijks aan boord en ik had al een positie van informant. Heere met zijn visioenen. Maar ik wist dat hij gelijk had: we gaan nieuw land ontdekken. Ik voelde het aan m’n water. Alleen wanneer, dat was de vraag. Zo kreeg deze reis veel van een droom. Een foetus in de baarmoeder, een scheepje op Gods wateren.
Op een nacht werd ik plotseling wakker: grote beroering aan dek. De mannen renden op en neer. Het geschut werd in gereedheid gebracht. Ik maakte Betje wakker. "Land in zicht!" blufte ik. Nog waar ook! Op nog geen vijfhonderd meter zagen we: groen (bomen struiken, velden), blanke zandstranden. De monding van een rivier, een baai. We zagen heuvelen en dalen. Een ongerept gebied zover als het oog reikte. De bemanning had algauw in de gaten dat dit een bijzonder visrijs gebied was. Zalm rondom het schip. Op het moment dat de mannen alles in gereedheid gebracht hadden en twee sloepen klaar hingen voor de tewaterlating, nam de kapitein plechtig het woord: "Mannen, de tocht was lang, de ontberingen zwaar, maar nu komt alles in beter vaarwater. Wij zijn niet de eersten die hier voet aan wal zetten, maar wel de best uitgeruste expeditie. Ik wil jullie allen bedanken namens mijzelf en ook namens de West Indische Compagnie." Toen gingen de sloepen te water. "
Een zee is blauw, een lucht is grijs, of omgekeerd: een lucht is grijs een zee is blauw," dacht ik. Weinig nieuws soms. Een zekere eentonigheid had deze reis wel. Maar uithoudingsvermogen werd beloond. Ik zag Heere op de brug staan. Zijn gezicht was open en blij. De groeven in zijn voorhoofd waren weg. Ik verbeeldde me het niet. Ik herkende mezelf nu in de kapitein. Hij stond daar ook als een kleine jongen wiens droom werkelijkheid was geworden. Ik was trots op hem. Ik had meer dan gewone bewondering voor Heere. Heerenliefde? Nou nee, daar had ik meer dan genoeg van in die benauwde scheepshut. Een 'ongehoord treurige scheepshut der oceanen', dat zei Betje en die kon de dingen soms mooi zeggen. Ik rook niet, anders was ik naar dek gegaan en had ik een Peter Stuyvesant op gestoken. Het avontuur zoek je nooit alleen.
Een scheepshut werd genomineerd voor de Brandende Pen 2007, prijs van literair tijdschrift Lava voor het beste korte verhaal 2007. Gepubliceerd in Lava 13.3 (Eerste verhaal in een serie van drie “Een sublieme ervaring” en “Dikke Doekoes”) Deze en andere verhalen zijn te beluisteren op: http://jordaani.home.xs4all.nl/Buurtboek/Westerdokseiland/Bert.htm
Hieronder volgt de Engelse vertaling van 'Een Scheepshut'
A berth
A place for six men to sleep, no more. One bunk for each of us. Two stacks of three. Herrings in a barrel. I was at the top. Betje was across from me on the other side, also on top. A small berth on a galleon. Somewhere around the year 1623. I was lying on my bunk. I could not get a wink of sleep. I saw myself lying there. I was thinking about my parents. Would I ever see them again? I was one of the youngest on board, together with Betje. We were determined to sail on the Narwal, no matter what the price. It was adventure we were looking for. And adventure is exactly what we found. A storm. Battles with the English and the Portuguese. But even more threatening now was the silence at night. Would everything be all right with Captain Heere and his ship? We just had to go with him, and only him. February, two years ago in Amsterdam at het Blauwhooft Bastion on the IJ. I can still see how we ran, even now.
"Betje in front, with me running behind him. We are exhausted, gasping for air. The galleon of Wijnhoudt Heere. Such pomp and circumstance. God almighty, what a ship. A stern with decorated mermaids. Gold, blue and white. How many masts does it actually have? “Higher than the Schreiers Tower!” If we still want to make it, we had better hurry. Captain Heere stands proudly on the bridge. He gives the orders around here.
Sometimes it is possible to climb on board unnoticed. Betje is the fastest. He quickly unties a small sloop and calls out to me: “Why are you just standing there? Are we going or not? We drag the sloop past the gate, jump in and start rowing like mad. The sloop starts spinning around. Somehow we manage to get it on course, heading towards the Narwal. We manage to lay aboard. Straight away, we are boarded and lifted up onto the ship.
"What’s your name? Heere asked when we were brought to him.
“Jacob.., Jacob Dik,” I answered. I was afraid that we would be thrown off the ship again immediately. I had never seen him that close up before. He was my hero and role model. I was shaking in my shoes. That look in his eye, those bushy eyebrows, the frown on his forehead.
“He looks right through you,” I thought. “Do not think for one moment that I will turn around and go back because of you. Impossible. I will throw you off board at Pampus,” Heere said, "Boatswain, tie these two up down in the hold, that will give them some time to think about what they’ve done.”
"Two stowaways on board!” the boatswain yelled down below. Grins from the crew; to them we were just free galley boys, two nitwits who were still children. But Betje and I were on board.
And that’s how it started. First we were stowaways and before we knew it, we were just classified as crew like the rest; age doesn’t matter on Captain Wijnoudt Heere’s ship. No one would live to a ripe old age here. That was a fact. How long had we been sailing now? For years. In 1621, we sailed out of Amsterdam. The galleon was equipped for privateering, loaded with cannons and ammunition, and on its way to faraway lands. I had to go; I really had no other choice. And neither did Betje.
No wind for weeks, months, how long actually? I just lay there on my bunk. I simply couldn’t sleep. The ship rocked gently. Nothing to be done about it. We hardly ever saw Heere on the poop deck anymore. He stopped eating with us as well. He would just stand there, days on end, bent over a map. The boatswain said: "There are empty spots on that map." He would sit there at night, gazing at the stars for hours on end, making calculations with an instrument I had never seen before. The crew was uneasy and was starting to object more and more. "Heere has lost his way." And "Heere igoing stark raving mad,” they were saying. Time sometimes seems tos pass like sand in an hourglass, but now it was dripping as slowly as molasses from a spoon. The galleon lay idle somewhere on an ocean. Motionless. Loneliness is a sailing ship without wind.
We hadn’t seen land for months. We lay there rocking, slowly undulating. The rudder was creaking, the masts were creaking. The sails would snap now and then, and would then hang limply. Midsummer. Sweltering heat. The helmsman stood at the helm to prevent the ship, with its high stern, from spinning in circles. This ship was going adrift like a miserable little tub. It looked like a chicken, pecking at grain. With its rear in the air. We had probably been turning in huge circles for weeks. It was impossible to chart a course for the Narwal. The captain just kept walking the after-deck above his berth, pacing to and fro. He hardly spoke a word to anyone. The crew muttered and conspired. Many of those on board took ill. Those who died were given a simple burial at sea. No one wants to die like that.
I did not think that we were lost. I went to Heere on the bridge.
"Aye, aye, captain, everything is going as planned, just not enough wind, isn’t that so?” I said. I had been on board for so long I figured I could afford to take some liberties. It had been a long time since I was a mere galley boy. Heere had noticed that I was smart, and quickly gave me more freedom. I would help the helmsman. I was allowed up onto the bridge. Sometimes he would even tell me new things. I learned a lot from him about privateering and navigation. From the bridge, I could watch how Heere and his men adeptly torpedoed an English ship in such a way that it did not sink immediately, thus allowing them time to transfer all of the valuable spoils. Now he was grumbling to me: "Privateering pays well, but we are going to discover new land here and build a stronghold. Did you see that pigeon on the forward deck recently? We’re not far from shore. I’m certain of it.”
Pigeons? I hadn’t seen a single pigeon. Sometimes, way high up in the sky, a lone albatross maybe. We did not see any land at all, and were just bobbing aimlessly on an endless sea. Heere was also starting to make a peculiar impression on me.
"Does he think about his parents from time to time?" I wondered. "Has he given ample consideration to the sailors?” The protests began to increase. They wanted to mutiny, they had had enough. They were exaggerating, nothing was happening. Perhaps that was the problem.
Wijnoudt Heere was an unusual man in every way, and had already taken many successful journeys. A real go-getter. He never came home empty-handed. The West India Company was founded just for this voyage. Heere was a sailor who was in search of flourishing colonies. A man who earned money for his city, not someone who stayed home to boast about his earnings. He was unquestionably surly, and even a bully from time to time. But every sailor was. If you did not possess these qualities, you could not survive. Heere had even more: he was also a businessman who would even turn to slave trading to earn a livelihood. A consummate pioneer. And that ship of his cost him a pretty penny. Without the Company, he never would have come this far!
I already knew this about Heere before I came on board, and I inquired about it among the crew. Many of them did not even know him. Adventurers, just like Betje and I, but without baggage. Seamen who were easily incited to revolt, thanks to a lack of beer and gin. Heere was not troubled about them. I discovered that he was fully aware of the mood on board. He even used me to learn more. I would do the same if I were captain.
One day we bumped up against a large dead fish with a spear in its belly. We sailed alongside of it. The crew’s reaction was one of fear. It was a spear with colored beads. Heere took the fish to the bridge and did not utter a word. The tension mounted.
“Bumping around, hushed voices. It is night, a dizzying, starry sky above us. Heere is standing on the poop deck. The boatswain sneaks up on him from behind. Betje and I are sitting one deck below. We see it happen. ‘Captain, behind you!' I call out”. But Heere had obviously already seen him or perhaps he was even expecting him. “Man overboard!” Rang out in a loud voice. The boatswain was gone. Heere walked past us and winked. I was lying in my bunk, the events replaying themselves in my mind. Suddenly, I was overwhelmed with thoughts of the past, of the story of Jonas in the Whale. Was I just like Jonas on a great ship, adrift on the sea? Would we be spewed out again? I was frightened; the situation was getting more and more unreal.
"Has Heere completely lost his mind?” the crew asked me. I had only just come on board, and already I was an informant. Heere and his visions. But I knew that he was right: we are going to discover new land. I could feel it in my bones. The only question was when. I had the same dream often during this voyage. A foetus in the womb, a ship sailing on God’s waters.
One night, I awoke suddenly: a great deal of commotion on deck. The men were running back and forth. The artillery was being readied. I woke up Betje.
“Land ho!” I bluffed. And it was true! At a distance of less than five hundred yards we saw green (trees, bushes, fields), snow-white sandy beaches. The mouth of a river, a bay. We saw hills and dales. Virgin territory, as far as the eye could see. The crew had already figured out that this was an area teeming with fish. Salmon everywhere, all around the ship.
Once the men had readied everything and two sloops were hanging, ready for launch, the captain dutifully took the floor: "Men, the journey was long, the hardships difficult, but we have now entered better waters. We may not be the first to set foot on land here, but we are the best equipped expedition to do so. I would like to thank all of you, on behalf of myself and also on behalf of the West India Company.”
The sloops were then launched.
"The sea is blue, the sky is gray, or the other way around: the sky is gray and the sea is blue,” I thought. Sometimes, things don’t really change. This voyage did have a certain element of tediousness. But our perseverance was richly rewarded. I saw Heere standing on the bridge. His face was relaxed. The deep grooves in his forehead were gone. I was not imagining it: he was gay. I now recognized myself in the captain. He too was standing there like a young boy whose dream had become reality. I was proud of him. I had something more than just sheer admiration for Heere? A preference of man? No, not really; I had had enough of that in that stuffy ship’s berth. An 'outrageously sad ship’s berth of the oceans', is how Betje described it, and he could put things so beautifully now and then.
I don’t smoke, but if I did, I would have gone up to the deck to light a Peter Stuyvesant. Adventure is something you never seek alone.
BB
|
|
Reageer hier
|
14:49 uur
|
|
|
|
Zondag , 3 Juni 2007
|
|
|
Het weiland
Het lege weiland lag zich eindeloos te verwonderen
over het vanzelfsprekende van haar weidse aanwezigheid
Een horizontale vlakte van ontelbare halmpjes
glimlachte trillend van zilverlichte dauw en rijp
Hoog in de lucht riep een vlucht wilde ganzen
langs de slootkant zaten zwanen wit en stil bijeen
Maar er ging een aardedonkere worsteling verborgen
achter de norse tractorsporen in de bevroren modder
Uit: Herfst in Harich
J.C. Jansen.
(Gedichtenbundel, uitgegeven in eigen beheer, 1995)
Warme stront
’s Ochtends 9 uur. Ik liet mijn geweer zakken, klapte het open en haalde voor de zekerheid de twee patronen eruit. Ik liep over het pad naar de open weide Links de dijk. Daarachter zaten vermoeide eenden. Die zouden straks worden opgejaagd. In de verte zag ik de drijvers komen. Oane en Pier.
Twee grijze auto,s zo groot als lijkwagen stonden rechts aan het hek. Twee mannen in het veld, keurig in het pak alsof het zondag was. Ze hadden een kaart bij zich.
“Goeie” Zei ik. “Koeien?” Zei de een tegen de ander. “In de wijde omtrek is geen koe te zien.” Ze keken weer op de kaart. In de auto’s zaten nog twee mannen. Achter het stuur. Chauffeurs? Ik liep voorbij, herlaadde mijn geweer en klapte het dicht. Ik legde het op mijn linkerarm zodat de loop omhoog bleef. Ik draaide me om en keek nog een keer goed naar deze mannen en de auto’s. Nederlandse nummerborden. “Ik geef u vijf tellen om u hier uit de voeten te maken.” Zei ik. Mijn geweer hield ik hoog. Achter me hoorde ik eenden opvliegen. Ik draaide me om, legde aan en haalde feilloos twee eenden neer. De hond kwam vliegensvlug te voorschijn om de buit te halen.Ik liet mijn geweer weer zakken, wipte de patronen eruit en herlaadde. Achter me hoorde ik zware portierdeuren dichtvallen. De auto’s reden weg.
Half tien. Tammie, het kooikershondje kwam als eerste met de buit aangehold. Speels en bruisend van levenslust. Goed getraind. Volop genietend van de jacht, lichtvoetig met een sierlijk wuivende staart. Vrolijke metgezel van Oane en al zijn huisgenoten. Pier en Oane kwamen aangelopen. Over mijn land, het land van de Heren van Althusius. Uitstervend ras, dat waren we, oude adel, niet rijk. Veel bezittingen, veel zorgen. Aan verkopen dachten de Heren nooit. Verkopen dat was voor handelaars. De jacht, dat was het leven, daar moest alles voor wijken. Beheerder, rentmeester, bewaker zo zagen dezen Heren zichzelf. De mannen waren tevreden. Ik kreeg complimenten: “Perfect geschoten meneer, twee keer raak. U bent in vorm.”
“Wat doen die projectontwikkelaars op uw terrein?” Vroeg Pier.
Ik antwoordde: “Nieuw beleid. Elke gemeente wil hier uitbreiden: woningen, bedrijfsterreinen. Die plannen worden in elkaar geflanst. Dit gebied ligt ten westen van het dorp. Ideaal voor hun plannen. Het ligt iets hoger dan de weiden verderop. Ze willen hier villa’s aan de dijk en aan deze kant is een bedrijfsterrein gepland. Ik heb ze gezegd dat ik niet verkoop. Ze gaan ervan uit dat ik bijdraai.” Projectontwikkelaars, daar draaide ik nooit voor bij. Geboefte. Na een onderonsje in de gemeenteraad stemden ze nog even officieel. Dan begonnen ze meestal direct met het bouwrijp maken of nog liever: met de verkoop van percelen. Die ontwikkelden plannen zoals koeien vlaaien schijten. Landje pik. Modern spel: eerst verkopen, dan bouwen. In de buurt van mijn landgoederen waren nog nooit zulke projecten gelukt. Er werd echter veel belang gehecht aan dit nieuwe plan. Dat wilde zeggen, er viel veel te verdienen: voor raadsleden, voor de verkopers, voor de bouwers, de architecten. Het werd de laatste tijd steeds drukker. “Ik verkoop niet.” Of liever: “Wij verkopen niet.” Oane en Pier glimlachten: zo kenden ze me.
Waarom ze over mij spraken alsof ik in het meervoud bestond, wist ik niet. Ik was de laatst overgebleven heer. Mijn familie was hier weggegaan en ik had ze kunnen uitkopen. Helemaal ongelijk kon ik ze niet geven. Ik had het gevoel geen keuze te hebben. Er moest iemand zich met deze landgoederen in deze uithoek bemoeien. Ik bezat nog steeds een niet onaanzienlijk deel. Her en der bezat ik nog meer landgoederen. Die werden verpacht. We, mijn vrouw en ik, woonden in de Pauwenhof, een echte heerlijkheid, maar ook modern verhuurbedrijfje. Kasteel te huur, voor bruiloften en partijen! Het geld moest ergens vandaan komen. Het project van de ontwikkelaar was te omvangrijk en te lucratief. Er werden bedreigingen geuit. Het was goed dat Oane en Pier er waren. Misschien spraken ze over mij als de “Heren” omdat ik niet alleen land bezat, maar ook dat ik advocaat was. Er was geen bestemming plan in de maak of ik wist van. Mijn kennis ging verder dan de rechtbank hier of de Raad van State. Desnoods voerde ik processen tot in Straatsburg. Ze kenden me daar “als een sterk stilist, die met een goed gevoel voor timing, vecht voor elke boom, elke struik, voor elk doorkijkje en elk stukje horizon.” Was ik boven een enkelvoudig personage van een streekroman uitgestegen? Telde dat misschien voor twee? De kracht van mijn pleidooien moest luid klinken. Hier in deze uithoek, zeker, maar ook ver weg in Europa. Dat deed ik niet alleen. Mijn vrouw, ook juriste, hielp. Spreken ze daarom over ons in meervoud? We verzekerden de landgoederen van een ongerepte toekomst. Maar achter elk norse tractorspoor lag een worsteling verborgen. De druk werd opgevoerd. Misschien zo dit project niet meer met juristerij gestopt kunnen worden. Er kwamen meer bedreigingen en dat ze zo ons terrein kwamen, betekende weinig goeds.
“Waar het gros van de mensheid zich zoal mee bezig houdt, dat weet ik niet,” zei Oane, “maar gelukkig zie ik zelden hier een mens hier bij de jachthut. En dat is maar goed ook. Want niemand heeft hier iets te zoeken.” De jachthut was alleen lopend of met de fiets te bereiken. Ze stond aan de rand van mijn land. De jachthut werd bewoond door Oane en hij was jachtopziener, imker, kooiker, assistent van de Heren, bewaker van huis en erf. Al jaren. Oane de S.” zo kwam ie voor in de politieverslagen. De “S” stond voor stroper. Hij beheerde de eendenkooi. Samen met Tammie, het kooikerhondje. Zorgvuldig door Oane opgeleid. Al het boventallige wild, ongeacht welk seizoen werd door Oane neergelegd. Hij kende het gebied als zijn broekzak. Oane was geen allemansvriend. Nieuwkomer Pier werd aanvankelijk met grote achterdocht besnuffeld. “Met een bijpassend gegrom.” Zo reageerde hij, als een hond die het niet vertrouwde. Hij snauwde hem af alsof z’n nestgeur hem niet aanstond. Had hij iemand geaccepteerd dan was er een vriendschap voor het leven gesloten. Hij was net als zijn hondje Tammie eigenlijk. Pier was door de ballotage. Pier was O.K..
Half elf dezelfde ochtend. Opnieuw dreiging. Zo ging het: “Oane en ik lopen met een boog om het landgoed heen om opnieuw onder de wind te komen. Een half uurtje om. Als we door het bos gaan, komen we aan de rand van het landgoed. Daar staan bijgebouwen, schuren voor het gereedschap. De koeien staan nog binnen. De mestvaalt en verderop staat de jachthut. We hebben een goede kans nog eenden te treffen. Oane en ik lopen nu elk met een geweer en Pier maakt een rondtrekkende beweging om bij de hut te komen. Als er nog eenden zitten hebben we een goede kans en vrij gebied om te schieten. Op dat moment zien we één van de twee auto’s het terrein op rijden. Hij gaat in de richting van de bijgebouwen.” We zagen de chauffeurs uitstappen. De twee andere mannen met de kaarten waren er niet bij. We hadden beiden onze geweren geladen. Veel woorden waren niet nodig. Eén van de mannen draagt een jerrycan. We liepen langs de auto. Misschien spraken ze over mij in tweetallen, maar met Oane telden we voor vier. De scene was ons meteen duidelijk. We snijden ze de pas af ,vlak voor de mestvaalt. Ik zei: “Uw bazen hadden vijf tellen om zich uit de voeten te maken. Die tijd is verstreken.”
De chauffeurs hadden koele blikken zoals acteurs die hebben in moderne misdaadfilms. Oane en ik traden meer op zoals je dat ziet in cowboyfilms. Acteurs in verschillende films. Op dat moment zagen we Pier onopgemerkt achter de mannen te voorschijn komen. Zij hadden niets in de gaten. Waren onder de indruk van onze dubbelloops geweren? Hij knielde achter één van de mannen en Oane duwt de man zo over hem heen de mestvaalt in. De aarzeling van de andere man gaf mij precies genoeg tijd voor een duw. Hij viel zijdelings in de koeienstront. We hielden ze onder schot totdat ze er helemaal onder zitten.
“Draaien, liggen blijven, handen op de rug”, riep Oane dreigend. Ze kregen boeien om. De mannen werden op de mestkar geladen en met de trekker naar het gemeentehuis gereden. Daar werden ze zonder veel commentaar overgedragen. De villa’s en het bedrijventerrein zijn er nooit gekomen
“De geur van mest gemengd met stro, ruik je hier overal. Geen verzuurde troep, maar warme en dampende stront. Dat moet zo blijven.” Wie dat zei weet ik niet meer, maar het zou mij niet verbazen als dat de Alwetende Toeschouwer was.
“Westerns doen het hier beter dan die moderne politieseries.” Dat zei ik zelf.
Bert Bakker
Opgedragen aan Jan Bert de Jong
(Met Jan Chris Jansen op CD gezet. "Gods zegen rust op deze akkers" Eerste verhaal in een serie van drie op CD) (Vertaald in het Fries voor HJIR (juli 2007) door Boukje Stavinga)
|
|
Reageer hier
|
18:08 uur
|
|
|
|
Donderdag , 01 Maart 2007
|
|
|
Come-back op de Mont Ventoux
Bedoin, Zuid-Frankrijk, 24 juli 1990 - Of je nu langs de ene of langs de andere kant de Mont Ventoux beklimt, dat maakt niet zoveel uit. De tocht is zwaar en vol ontberingen. Je klimt in ongeveer 20 kilometer van 300 naar 2000 meter. Het is ook voor een geoefende renner onmogelijk om een tempo te bepalen. Als ik een berg beklim, dan bepaal ik hoe lang ik erover wil doen. Ik weet waar ik aan begin en ik houd niet van toevalligheden. Een beklimming beschouw ik - in navolging van Jan Kal - niet als een inspanning, maar als de exacte uitwerking van een idee. Deze uitwerking moet tot tevredenheid stemmen en - als de lezer er enige bekendheid met dit soort inspanning heeft - dan is dat met teveel gezegd. Mijn "streeftijd" voor de Ventoux is 1 uur 30 minuten en ik geef mezelf altijd wat "vrije tijd", maar een beklimming moet nooit te lang duren. Als ik boven mijn klokje indruk, heb ik er 1 uur 36 minuten over gedaan. Ik heb nog 4 minuten over. Er is nog precies tijd voor een foto en dan weer verder. Op 1 augustus 1971 beklom Jan Kal deze berg, hij was tweede achter zijn dichtbroer Tim Krabbé. Sander Wackie Eijsten, mijn fietsbroer, ging me voor met 1 uur 24. Ik ben tweede.
Daarmee is de moderne regel voor de beklimming van de Ventoux gegeven: "Zorg dat je als eerste boven bent". Ook als je alleen bent: een spel zonder verliezers. In de bergen zijn er geen verliezers. In de bergen keer je naar jezelf terug en wordt iets goed gemaakt. Dat is regel 2, want: "Je geest is al boven, alleen je lichaam nog niet". De beklimming is slechts een tijdelijke toestand waarin je iets onmogelijks, de scheiding tussen lichaam en geest, moet herstellen. Je "status" is dusdanig ontregeld dat je maar beter als de bliksem naar boven kunt gaan, anders ben je dood. Regel 3: "Niet jij bent degene die naar boven gaat, het zijn je spieren die het doen". De krachtsinspanning is zodanig dat je je er geen voorstelling van kunt maken. Dan moet je ook maar elke voorstelling volledig uit je hoofd zetten en vernouwen op "je spiergeheugen". Je hart, je longen, je beenspieren weten hoe het moet: Waar kun je nog zulke ideeen uitwerken?
De moderne lokroepen "Leren wat u wilt, leren hoe u wilt, leren waar u wilt, leren wanneer u wilt" kunnen de mensen op rare plekken brengen. Het hedendaagse "Open volwassen Leren" is eigenlijk een renaissancistisch ideaal, waarin de mens (anthropocentrisme), het individu (individualisme) weer centraal staat, waarin menselijke ervaringen en reflexie (empirisme) meer op de voorgrond treden. De cursist is niet langer ondergeschikt aan bet knellende regime van het grootschalig onderwijs, en de cursist kan in eigen tempo goed ingedeelde modulaire brokjes kennis in-nemen, hoofd- en zijwegen inslaan. "Baas in eigen brein" dus. Maar, renaissancistische idealen beginnen met zware beklimmingen.
Op 26 april 1336 beklimt Francesco Petrarca samen met zijn broer de Mont Ventoux. Deze beklimming is door veel historici beschouwd als een keerpunt in de geschiedenis. Het esthetisch gezichtpunt van waaruit Petrarca de imposante berg be-klom zou tekenend zijn voor een begin van een "nieuwe" tijd, waarin kunstenaars zich zouden bevrijden van de scholastiek en nieuwe ontdekkingen zouden doen. Petrarca doet enthousiast verslag van het fascinerende landschap, maar haalt toch ook "Augustinus" belijdenissen aan. De ervaring leert: er hoeft bij renaissances niet altijd sprake te zijn van een trend-breuk maar men ging vanaf die tijd spreken over transformaties of graduele ver-schuivingen in leef- en denkklimaat. Er moet ergens een begin van een beweging zijn, soms is er sprake van een gelijktijdigheid. Dat idee wordt mooi geillustreerd in dit gedicht van Jan Kal
Topprestaties
Toevalligheid van de toevalligheden.
ik kocht de dichtbundel van Tim Krabbé:
Vijftien goede gedichten, en daarmee
is niets te veel gezegd; dat stemt tevreden.
mogelijk meer dan het wel en wee
hier door de dichter-wielrenner beleden,
trof mij het omslag, en met zonder reden:
exact de uitwerking van mijn idee!
op 1 augustus `71
schreef ik, nadat ik deze berg beklom:
'dichten is fietsen op de Mont Ventoux'
ik dacht: als ik in de boekhandel lig,
wil ik een kiek van deze klim er om.
er is niets nieuws onder de zon, Poupou
Amsterdam, 22 nov. 1973
(uit: Fietsen op de Mont Ventoux, Loeb, Amstelveen, 1974)
Een renaissance is eigenlijk wat een Poulidor in bet wielrennen was: de beste, de meest geliefde, maar een eeuwige tweede. Genoeg kracht om eerste te worden, maar net niet snel genoeg. Voldoende eigen idee maar in de schaduw van imposante voorgangers in de geschiedenis. Maar, Poulidor bracht echt aktie in de wedstrijd. Hij joeg het tempo op. Bij een renaissance worden ook weer bergen beklommen en worden er nieuwe perspectieven geopend. Er worden nieuwe stijlen (Ha, op een mountain-bike!) en stijlvormen ontwikkeld (He, zomaar een gedicht!), maar bovenal: je doet het nooit alleen en het komt allemaal tegelijkertijd (He, weer een foto!).
BB
Come-back op de Mont Ventoux 2:
Een man wordt ouder
Als ik hier om me heen kijk: Wat wordt niet ouder? De bomen niet, de bergen niet, de beesten? Gisteren waren de blaadjes nog stevig en rood, nu zijn ze vergeeld en slap. Er klonken schoten in de verte. Jonge honden kwamen aangerend over de akkers. Er hinkte een hert voorbij. Niet de hitte, maar de wind en de kou geselen nu de bergen. Ze zien er uit als bijeen gewaaid stof en geërodeerd gruis. Oud is verkleurd, krakkemikkig, aangeschoten, voorgoed voorbij.
De bergen dragen hier ’s avonds een wolk om hun kale kruin. Een tooi van tanende wijsheid? Ik zit op 800 meter. Ik ben op hoogtestage voor de beklimming van de Mont Ventoux. Ik ben niet op hoge leeftijd, maar ik kan mijn meeste jaren tellen. Ik verblijf in de buurt van Veynes, ten noorden van de Ventoux, op de hoogte van Gap, in de Hoge Alpen, het Pays du Buëch. Ik logeer op Domaine de Sivas in een modern huisje, waar ik me als ouder wordende man over verbaas. Alles wordt tegenwoordig “onder architectuur” gebouwd. Een jeugdige trend. Het huisje is samengesteld uit driehoekige vlakken. Ik beperk me tot twee. De grootste driehoek heeft twee rechte zijden van drie meter en die staat precies goed op de winterzon. De daklijn is de hypotenusa. Eén en al raam deze driehoek. In de andere, Noord - Oostelijke driehoek zit een deur waardoor je binnen komt. Binnen ook weer driehoekige vlakken, die zich niet snel laten beschrijven. Nogal hoekig. Ik ontdek in het huisje elan, esoterie en vooruitstrevendheid. Wat het meeste is van dit jeugdige drietal, weet ik niet.
De badkamer bevindt zich in een toren ernaast. Een ronde badkamer. Het zet me aan het denken: In mijn jonge jaren was ik hoekiger en korter af, naarmate ik ouder werd, kregen de dingen meer ronde vormen: mijn vrouw in verwachting, mijn dochter rolde uit haar buik het leven in. Het puffen daar kon ik mooi mee helpen. Tellen en uitademen. Pfft, pfft. Ik had het geleerd op de Mont Ventoux, de berg waarop ik mijn rondjes reed...
Nu ik oud ben, tel nog slechts af. Ik ga dood. Ik lig te rillen in bed, ik ben nog ziek ook: kou gevat. Vanaf Bedoin ging het nog wel. Schrale wind en mist. Al gauw begon het te regenen. Daar kreeg ik iets minder last van tijdens de beklimming in het bos. Daarna en daarboven was er nog meer regen en meer wind. Heel mijn broze gestel deed pijn.
Misschien dragen de bergen hier een tulband, de Mont Ventoux had een douchekop opgezet. Mont Pluies. Meervoud, net als in die moderne douchecabines. De stralen komen van alle kanten. Mijn plan was om over de pistes terug te keren naar Bedoin, door de regenval was dat uitgesloten. Ik bracht een verre groet aan Tommy Simpson. Ik daalde neder op twee schepraderen, op een rivier van asfalt. Ik begreep nu pas waarom je voor de Ventoux niet alleen je jeugd, maar ook cognac en amfetamine nodig hebt. Ik klom uit eigen kracht, de kracht die nog restte in mijn geërodeerde lichaam.
Kader Abdolah schrijft ergens “Nederland is met een hoge snelheid aan het veranderen. Er komen veel buitenlanders binnen, en zij nemen hun bergen en rivieren, maar ook hun oorlogen, hun doden, hun ziekenhuizen en hun geweren mee. En de schrijvers gaan die bergen en die rivieren aan de Nederlandse literatuur toevoegen.”
Waarom ik als tachtige jarige een dergelijke beklimming en afdaling daarginds in het oude Europa wilde volbrengen? Ik ben helemaal nog geen tachtig. Misschien word ik dit jaar ingeloot voor de Elfstedentocht. Moet ik dan ik ongetraind en onbeslagen ten ijs komen? De weersvoorspellingen voor morgen zijn hier al weer wat beter. Blijft het slecht, dan neem ik deze berg mee naar huis.
BB
Come-back op de Mont Ventoux 3:
Over de bergen naar de zee
(1) Overal bewoog de zee en
altijd kwam regen langszij
steeds met straffe wind
Grauw, fladderend, grillig
vogels schrokken op
verweesd door herfst
en lange winters
Daar leefde hij:
in gemalen polders
achter dik omlijnde dijken
op akkers aangeharkt
en sporen diep
in land veroverd op water
vol nieuwbouwwijken
van geluk en eensgezinde huishoudens
Hij wilde weg
wild verwaaien
hij wilde weg, alsof
hij al was vertrokken
ver heen
Ver van vitrage
van gezelligheid en
centrale verwarming
ochtendnieuws op de radio
koffie, aardappelen, bier
en de stamppot
van achterdocht en jenever
Daar ging hij dan:
met veel versnelling
op wielen vlug
weg en
zonder afscheid
naar een leven
dat geleefd moet worden
in de luxe van een gepast lijden
en gelukkig, zag hij daarbij
af van al te veel woorden
(2) Over een vrolijk lint van
weggetjes
licht en luchtig
blauw
boven heuvels van vreugde
naar toppen
en spontaan
langs eindeloze vergezichten
zuidwaarts
Zwervend langs
het glooiend geel
van hellingen met
velden paars
koolzaad en verderop
lavendel
zo zuidelijk
o, zo zonnebloemig
Verder weg dan het oog kon zien
en geuren konden reiken
en liefst hoog
boven de zinderingen
van olijfbomen bewegend
groen
boven de flanken
van steeds hogere bergen
en afgelegen meren
Verdacht hoog en lichtzinnig
ver en wijd vertakt
en ach, wat kan het schelen
nachten zwoel van wijn
(3) En toch...
Gestage wind met grote kracht
en ook regen kwam langszij
hier, maar dan op grote hoogte:
grauw, fladderend, grillig
en ook hier schrokken vogels op
van beetjes herfst en korte winters
de Middellandse zee vlakbij
En dan...
Weer terug naar hoge wolken
kastelen wit van lucht
met daaronder
ontelbare molens voor de wind
groen en blauw en eindeloos veel asfalt
met auto’s die traag in eindeloze stoet
maar rijden van heen
naar weer
Soms wintertijd
met ijs en gesnerp van ijzers
een vlucht ganzen zonder baas
en huis, los van vaste bodem
op het zwart van diepbevroren sloten
op het zwart van diepgevroren meren
op het kruiend ijs van heimwee
naar eindeloze witte vlakten
vlak onder de zeespiegel van weleer.
BB Verantwoording: ‘Over de bergen naar de zee’ is de derde Come-back op de Mont Ventoux. Het is verschenen op de site van Ensafh (edysje 21, 2010). ‘Come-back 1’ is verschenen in de Almanak van Demosthenes (Dispuut aan de Vrije Universiteit), 22e lustrum, 11 november 1992. Het is in het Fries verschenen op de site van Ensafh. Zie: http://www.ensafh.nl (edysje 13, 2009)) ‘Come-back op de Mont Ventoux 2’ (In man wurdt âlder) verscheen in edysje 20, 2009)
|
|
Reageer hier
|
12:42 uur
|
|
|
|